Volksvertegenwoordigingen vertegenwoordigen het volk allang niet meer. Ze zijn alleen nog maar ingenomen met zichzelf. Nu kraait het oproer. Dat kon niet uitblijven.

‘Het zijn onruststokers die een opstand willen ontketenen,’ zei een Franse woordvoerder onlangs over de gele hesjes, ‘ze willen de regering ten val brengen.’

Opstand is niet per se slecht. Ik profiteer nu nog van opstanden uit het verleden. Toch keur ik het gebruik van geweld af. Ghandi heeft laten zien dat geweldloos protest ook effectief kan zijn.

Maar in de grond sympathiseer ik met de politieke inzet van de gele hesjes.

Om 09.15 u. liep ik Feanwâlden uit richting de Houtwiel. Over het grijze land lag de stilte voor het zware weer dat op komst is. De duizenden ganzen waren rusteloos, vlogen op en streken weer neer. Zouden ze de naderende storm aanvoelen? Ik kikkerde in elk geval op van dit rondje van negen kilometer.

In Een hoofd in de toendra (Van Oorschot, 1989), waarin ik zojuist begonnen ben, geeft Tomas Lieske een basisregel – ‘ik vind dit veel belangrijker dan veel andere aspecten’ – waar een gedicht zich naar richten moet. Een poging tot standaardisatie dus:

‘Wie alles van zichzelf prijsgeeft kan niet dichten, wat alles prijsgeeft is geen gedicht. De dubbele bodem, de vermoede laag eronder, de schittering die doet weten dat er iets is maar die verhindert precies te zien wat er is.’

Ik heb niets tegen dubbele bodems in dichtkunst, maar zou ze niet graag als regel willen voorschrijven. Uitgangspunt bij het schrijven van een gedicht is wat mij betreft volledige vrijheid. Uiteraard staat het iedere dichter vrij om zichzelf grenzen te stellen.

Leve de vrijheid van poëzie: het beginsel dat poëzie aan geen enkele regel onderworpen is!

lighght

Aram Saroyan, 1968

Feanwâlden, 2019 © Ton van ’t Hof