Over het debuut van Martin Knaapen, Koe 1 & Route 66

In november verschijnt bij Stanza het debuut van Martin Knaapen, getiteld Ik, mijn broer. Knaapen zet zich met zijn mondige, geconcentreerde lyriek in één klap als dichter op de kaart. De bundel is vandaag gereedgekomen voor een proefdruk. Annemiek Pruijt heeft de spannende tekening op de omslag gemaakt.

img_0673

Mijn hernia lijkt zich ietwat te herstellen; de klem om mijn rechterbeen wordt wat minder vaak en wat minder strak aangedraaid. Het ziet ernaar uit dat ‘blijven bewegen’ een remedie is. Vanochtend naar de Grutte Wielen gefietst, waar ik deze koe tegenkwam:

img_0669
Koe 1, Grutte Wielen, 2016, © Ton van ’t Hof

In 1963 reist Andy Warhol met drie vrienden in een Ford Falcon van New York naar Los Angeles om de opening van zijn tweede solo-expositie bij te wonen. Ze maken daarbij ook gebruik van de legendarische Route 66. In Andy Warhols roadtrip worden allerlei weetfeitjes over Route 66 opgesomd. Van sommige feitjes wil ik iets zien of horen en zoek ze op internet op. Zoals het ‘onofficiële lied’ van de weg: ‘Get Your Kicks on Route 66’ van Nat King Cole:

Of de eerste reisgids, A Guide Book to Highway 66 (1946) van Jack D. Rittenhouse, waarvan een eerste drukje tegenwoordig $ 250 doet.

img_0674

Andy Warhols roadtrip, Deborah Davis, Meulenhoff, 2016: via bol.com.

Van de kip-noedel krijg ik een echt zengevoel

Andy Warhols eerste solo-expositie als beeldend kunstenaar was geen succes. In de zomer van 1962, Warhol was toen 34 jaar oud en al een goed verdienende illustrator, werden 32 schilderijen van 32 verschillende Campbell soepblikken geëxposeerd in de Ferus Gallery te Los Angeles. Warhol heeft de expositie zelf nooit bezocht; hij woonde in New York en LA was te ver weg.

img_0652
Irving Blum met Andy Warhols ‘Campbell’s Soup Cans’ in de Ferus Gallery te Los Angeles, 1962. Foto door William Claxton. Met dank aan Demont Photo Management, LLC.

‘Andy was hier onbekend en een buitenstaander,’ lees ik in Deborah Davis’ boek Andy Warhols roadtrip, ‘dus trok zijn opening weinig publiek.’ Maar de als kunstwerken gepresenteerde soepblikschilderijen veroorzaakten wel rumoer. Zo nam de nabij gelegen Primus-Stuart Gallery de schilderijen op de hak door in haar galerie echte Campbell soepblikken te koop aan te bieden. De Los Angeles Times plaatste een cartoon waarop twee ‘kenners’ Warhols schilderijen bekijken: ‘De asperge-crème doet me eerlijk gezegd niets,’ zegt de een tegen de ander, ‘maar van de huiveringwekkende intensiteit van de kip-noedel krijg ik een echt zengevoel.’

De toen 26-jarige filmacteur en kunstverzamelaar Dennis Hopper bezocht de expositie wel en gaf aan dat hij een van de soepblikschilderijen, ze kostten $ 100 per stuk, wilde kopen. Hij was nog niet thuis of hij werd gebeld door Irving Blum, mede-eigenaar van de Ferus Gallery, die had besloten dat alle 32 schilderijen ‘als één reusachtig kunstwerk’ bij elkaar moesten blijven en dat ze niet apart zouden worden verkocht. Hij gaf bovendien aan dat hij zelf de koper was.

Blum betaalde Warhol $ 1000 voor de hele bups. ‘Toen de expositie was afgelopen, nam hij de schilderijen mee en hing ze aan een muur van zijn appartement, in vier rijen van acht.’

In 1996 verkocht hij ze aan het Museum of Modern Art in New York voor $ 15 miljoen.

img_0653

Andy Warhols roadtrip, Deborah Davis, Meulenhoff, 2016: via bol.com.

Is culture eating its own seed stock?

Michiko Kakutani besluit zijn artikel ‘Texts Without Context’ in The New York Times met enkele citaten, waaruit ik op mijn beurt weer citeer:

‘The remix is the very nature of the digital. […] It is a culture of reaction without action. […] The web is killing the old media, we face a situation in which culture is effectively eating its own seed stock.’

Een donker artikel, dat de teloorgang van de auteur en de creativiteit betreurt. Raar, denk ik, Barthes verklaarde de auteur reeds in 1968 dood, toch voor aanvang van het digitale tijdperk, en nu krijgt internet plotseling de schuld.

In zijn essay ‘Optimism and Critical Excess’ (A Poetics, Harvard University Press, 1992) zegt Charles Bernstein: ‘We weten niet wat “kunst” is of doet, maar we vinden dat voor altijd uit.’ Hij verzet zich in dit essay onder andere tegen ‘maps’, schematische voorstellingen of theorieën van wat kunst is of doet, die leiden tot conclusies die de dood van de auteur verkondigen of de creativiteit of de kunst zelve. Mocht een verhaal toch zo eindigen, betoogt hij, dan geeft dat hooguit aan dat de ‘map’ verouderd is en het tijd is voor een nieuwe:

‘Duchamp’s, or Warhol’s self-reflexivity marks not the end of art but a preface to what is now possible.’

Bernstein gelooft in mogelijkheden, onbegrensde mogelijkheden voor elke kunstenaar en haalt in dit verband Henry David Thoreau aan: ‘Our capacities have never been measured, nor are we to judge of what one can do by any precedents, so little has been tried…’ Critici die denken dat ze de kunst ‘in bezit’ kunnen nemen, vervolgt Bernstein, ‘missen die ene les die ze zouden kunnen leren van kunst: dat geen enkele methode de antwoorden heeft. Kunst is nog altijd onze beste docent van methodieken, en we riskeren de grond onder onze voeten te verliezen als we vergeten wat kunst onderwijst, dat kunst onderwijst.’

Kakutani zou eens in contact kunnen treden met de remix en zich misschien willen afvragen wat de remix (‘fast cutting, fragmentation, polyphony, polyglot, neologism’) overbrengt of wil overbrengen.

Trouwens, alsof de hedendaagse kunst alleen maar zou bestaan uit remixen …

(Dit bericht verscheen eerder, op 23-03-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)