Ik laat de dingen komen en gaan, althans ik probeer dat.

‘Proust is gisteren gestorven. Ik heb hem nog gezien, sterk vermagerd en al blauw door de kou van het graf. Het grijpt me erg aan.’ – André Gide, 19 november 1922

Grootse eenvoud en ingehouden grandeur.

‘[Alcoholism] is, as [Jack] London recognized, a moral problem: the inability to control desire, and thus to direct the course of one’s own life. One might even say that the pathology is political: the surrender of the will to a form of tyranny.’

Ik heb duizenden boeken gelezen, maar niet eentje van Proust. Wat volgens sommigen een doodzonde is. Niet dat ik niet wilde, maar het is er simpelweg nooit van gekomen. In mijn boekenkast staan wel boeken waarin Proust figureert, waaronder Alain de Bottons How Proust Can Change Your Life, wat ik een alleraardigst werkje vind.

Maar De Botton kent Proust alleen uit boeken terwijl André Gide bij de ziekelijke schrijver op bezoek ging. En verslagen uit eerste hand hebben een meerwaarde. In Gides dagboek uit 1921, opgenomen in Het innerlijk blauw, wordt Proust als volgt beschreven: ‘Hij zegt dat hij soms uren achtereen zijn hoofd niet kan bewegen; hij blijft de hele dag in bed, soms dagen achter elkaar. Nu en dan strijkt hij met de zijkant van zijn hand, die dood lijkt, langs zijn neusvleugels, met vreemd stijve, gespreide vingers, en dat dwangmatige, stumperige gebaar, dat lijkt op dat van een dier of een waanzinnige, is allerakeligst om te zien.’

Fascinerend. Ik heb, geloof ik, in dit geval meer belangstelling voor de schrijver dan voor zijn werk.

Terwijl ik me tijdens de ochtendmeditatie concentreerde op de koelte van de lucht om me heen drong zich plotseling de gedachte op dat ik ‘nooit alleen’ ben en ook niet kan zijn. Nooit alleen. Wel zonder gezelschap maar niet zonder omgeving, zonder dingen om me heen. De wereld waarin ik me bevind kleeft als het ware aan me vast, kan ik niet van me afschudden, maakt deel uit van wat of wie ik ben. Beter andersom: ik behoor bij de wereld. Onverbrekelijk.

Vraag die nu rijst: behoor ik na mijn dood ook nog bij de wereld?

Lees een artikel over de burgeroorlog in Jemen en herken, uit mijn tijd in Afghanistan, het fenomeen ‘nobodies’: mensen die goud geld verdienen aan de heersende toestand van dood en verderf, parasieten:

‘Het constante geweld, de economische ineenstorting, de politieke chaos, de buitenlandse invloeden: er is zoveel mis, zegt [onafhankelijke journalist Mohammed Al-Qadhi]. En vergeet ook niet alle gewone Jemenieten, aan beide kanten van het front, die alleen maar oog hebben voor zichzelf.

Nobodies”, noemt Al-Qadhi ze. Mensen die voorheen niets voorstelden en nu ineens een militie leiden of een of andere politieke positie bekleden. “Ze krijgen veel geld toegespeeld, hebben ineens macht en status. Zij willen dat de oorlog voortduurt.”’

Ik lees het bij Gerbrand Bakker en schrijf het op omdat ik het niet vergeten wil: Boudewijn Büch ligt begraven op Driehuis-Westerveld. Ik zoek “Driehuis-Westerveld” op: ‘Westerveld, gelegen aan de Duin en Kruidbergerweg in Driehuis, is een van de oudste particuliere begraafplaatsen in Nederland.’ Driehuis, vlakbij Velsen. Daar ga ik Büch dan nog eens opzoeken. Waarom ligt ie eigenlijk daar?

Begonnen in Het innerlijk blauw. Een keuze uit het dagboek 1918-1939 van de Fransman André Gide. Privé-domein nr. 259. Wie was Gide (1869-1951)? ‘Zonder enige twijfel een van de belangrijkste Europese schrijvers van zijn tijd,’ lees ik op de achterflap, ‘maar ook een vat vol tegenstrijdigheden. Schrijver van de eerste moderne roman van de vorige eeuw (Les Faux-Monnayeurs), zorgvuldig stilist, oprichter van de Nouvelle Revue Française, homoseksueel die zich het hoofd brak over geloofskwesties, moralist en reiziger.’

Ik kende Gide niet, totdat ik enkele weken geleden een citaat uit een van zijn dagboeken tegenkwam, over kunst, waarna ik direct Het innerlijk blauw aanschafte (2e-hands, € 24 exclusief verzendkosten). Het citaat, uit 1918, in het Engels:

‘All great works of art are rather difficult to access. The reader who thinks them easy has failed to penetrate to the heart of the work. That mysterious heart has no need of obscurity to defend it against an overbold approach; clarity does this well enough. Very great clarity, as it often happens for the most beautiful works… is, to defend a work, the most specious girdle; you come to doubt whether there is any secret there; it seems that you touch the depths at once. But ten years later you return to it and enter still more deeply.’

Wat een pil: 662 bladzijden, bijna 6 cm dik. Benieuwd of Gide mijn aandacht weet vast te houden.