Roekeloosheid

Ik viel voor de titel – The Art of Recklessness – roekeloosheid – een boekje van Dean Young over poëzie (Graywolf Press, 2010). De regelen ten dezen – de manier om dan roekeloos te zijn in de poëzie – luiden volgens Young als volgt:

‘When someone tells you you must learn other languages, forget your own. When told the self is a construct, bleed. The sonnet is dead, laugh in fourteen lines of iambic pentameter. The instance of now is upon us utterly new, we need not try to remake the telescope to see with it, it might be enough just to look through the wrong end. When someone says metaphor is fascism, run. When someone says you must address atrocity or politics or social injustice, write in spite of it.’

Oh … dus gewoon een beetje dwars zijn. Is dat alles? Ja, dat is alles wat Young ons aan tips heeft mee te geven in een bijna 170 pagina’s lang barok betoog, waarover hij zelf aan het einde opmerkt: ‘I was hoping that at some point I would figure out what this book is about – maybe you are too.’ Ja, ik ook.

Young is qua poëtica blijven steken bij het geloof in een ‘Song of Myself’ (Walt Whitman) met een vleugje surrealisme op de wangen (André Breton), dat voor de vrolijke noot en wat vervreemding van de taal moet zorgen (‘language too is a kind of materials, stuff’). De ontwikkeling van de kunst in de bijna honderd jaar daarna wordt door hem als nonsens afgedaan. Dat noem ik nou roekeloos.

Maar hé, de kubistische schilders Albert Gleizes en Jean Metzinger schreven in 1912 al: ‘Taste immediately dictates a rule.’ En Dean Youngs regel is: ‘Finally I am not sustained by poetries whose electricity is not neural.’ Dat mag, niks mis mee, maar je sluit je daarmee wel af van een deel van de buitenwereld.

(Dit bericht verscheen eerder, op 21-08-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)