De Jenisej is 6000 kilometer lang en doorsnijdt Siberië van het zuiden naar het noorden, waar hij uitmondt in de Noordelijke IJszee. Halverwege ligt het oeverplaatsje Bor. Dirk Sager volgde de rivier van Bor naar het grotendeels ontvolkte mijnbouwstadje Dikson, dat acht maanden per jaar onder sneeuw bedolven is.

Stalin nam dit immense gebied ooit in exploitatie. Tienduizenden mensen werden er al dan niet vrijwillig tewerkgesteld en een deel vond er uiteindelijk een thuis. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie stortte de economie echter ineen. Velen vertrokken, een enkeling bleef achter. Sager zoekt in zijn documentaire achterblijvers op.

Ik kan niets dan bewondering opbrengen voor deze doorzetters. Ze proberen te overleven in een adembenemend landschap maar genadeloos klimaat. Hiertoe hebben de meesten een eigen wereld geschapen, waarin hoop en fantasie hoofdrollen vervullen. Potdomme, ik geef het je te doen.

Als een vader opbiecht dat hij illegaal steur vangt en van de opbrengst de studie van zijn zoon betaalt, vergeef je hem dat. Als een bejaard echtpaar vertelt dat ze beiden van Duitse afkomst zijn en ruim zestig jaar geleden gedeporteerd, heb je meelij met ze. Maar als zíj aangeeft dat er ‘hier niet gezopen wordt’ en dat híj ‘nog tamelijk sterk’ is, lach je met ze mee.

Vanavond wordt De Grote Poëzieprijs uitgereikt. Voor het eerst werden uitgaven in eigen beheer aangemoedigd om tegen betaling van € 75 mee te dingen. Circa 20% van de inzendingen kan onder deze noemer worden geschaard. Geen enkele uitgave in eigen beheer haalde de longlist. Ik heb al eerder mijn ongenoegen geuit over deze gang van zaken.

In De Groene Amsterdammer van deze week oefent Alfred Schaffer op dit punt ook kritiek uit: ‘En als een jury moet concluderen “dat het selectiemechanisme van de traditionele poëzie-uitgevers, zeg maar hun ‘poortwachtersfunctie’, functioneert”, is het misschien beter om dichters die buiten dat traditionele uitgeefcircuit opereren in het vervolg niet al te blij te maken met een dooie mus.’ Waarvan akte.

Dertig kilometertjes getrapt om in Lokaal Op Hatsum (nieuwe eigenaar!) de lunch te gebruiken: een lekkere maar wat zuinige hap.

Nagekomen bericht: Radna Fabias won met Habitus De Grote Poëzieprijs. Het is haar van harte gegund. Over de poëzie in deze bundel schreef ik eerder dat ‘die vaak afstandelijk (koel, cynisch, bitter) is en, mede daardoor, maar sporadisch ontvlammen wil.’ Smaken verschillen.

Boksum, 2019 © Ton van ’t Hof

Uiteraard is het niet nodig, bedacht ik me, om direct een alternatief achter de hand te hebben als je gelooft dat het kapitalisme hopeloos gefaald heeft. Het kapitalisme is een debacle. Punt. We kunnen niet eeuwigdurend blijven groeien. En natuurlijke rijkdommen zijn niet louter voorbehouden aan rijke stinkers. We zullen ons opnieuw en anders moeten organiseren.

Met ma gewandeld langs de Noorderplassen en geluncht in het BoatHouse. Ze noemde een olijfboom olijfolie: ‘Kijk de druif staat in blad en de olijfolie doet het ook goed!’

Op de terugweg even gestopt in het gehucht Oosterzee-Buren, aan het Tjeukemeer. Vijftig huizen en een prachtige kerkje met een witte houten torenkoepel. Veel ruimte tussen de huizen. Een weilandje met drie pikzwarte Friese paarden. Een fietsende jongen die gedag zegt, met onder zijn snelbinders een skateboard. In het bushokje hangt een fel oranje poster: ‘Snel kan altijd sneller. Nu nog sneller internet voor Ziggo klanten.’ Ook hier staat de tijd niet stil.

Alfred Schaffer schreef in De Groene Amsterdammer een rake recensie over Gert de Jagers nieuwe dichtbundel Dieren op schaal, die onlangs in de Gaia • Chapbooks reeks verscheen: ‘Het gedicht Een regel begint aldus: “Er komt een dag waarop je vindt/ dat alles wat poëzie is, of wat daarop lijkt,/ onzin is.” Het antwoord op deze bevinding is gelukkig geen gemopper op alles wat poëzie is of wat daar op lijkt, maar de publicatie van een voortreffelijke verzameling gedichten die ervoor zorgt dat ik na lezing aan zee wil staan, blik op de bergen, om te luisteren naar het lawaai van de golven, te zien hoe mist de baai binnensluipt, met deze programmatische regels in het hoofd: “Je bent er om er te zijn, weet je/ Je probeert je een niet-zijn voor te stellen, maar dat lukt je niet”.’

De bundel kan hier worden besteld: ebook of paperback.

Met ma langs de Noorderplassen, Almere, 2019 © Ton van ’t Hof

Het verlangen naar spetterend vers (11)

Je hoort het regelmatig: met poëzie is geen droog brood te verdienen! Als je louter kijkt naar de verkoopcijfers van dichtbundels dan is dat waar. Maar je kunt als dichter nog op andere manieren geld bij elkaar schrapen, door op te treden bijvoorbeeld of subsidie aan te vragen. En het subsidiepotje voor poëzie is best goed gevuld. Zo verleende het Letterenfonds in de afgelopen tien jaar ruim M€ 4,8 subsidie aan dichters. Ruim 4,8 miljoen euro. Aan 135 woordkunstenaars, voor het schrijven van dichtbundels.

Vijf grootverdieners streken in deze periode meer dan een ton op:

  • € 145.000 – Pieter Boskma
  • € 140.000 – Mark Boog
  • € 130.000 – Jan Baeke
  • € 125.000 – Astrid Lampe
  • € 115.000 – Alfred Schaffer

Voor dit geld schreef Boskma vier dichtbundels, waarvan er eentje werd bekroond met de Ida Gerhardt-Poëzieprijs en een andere leverde hem een nominatie voor de VSB Poëzieprijs op. Mark Boog wist er in deze jaren, naast enkele bibliofiele uitgaven, maar twee dichtbundels uit te persen, die niet in de prijzen vielen. Van Jan Baeke kwamen vier bundels uit; met eentje wist hij de Jan Campert-prijs te winnen. Ook Astrid Lampe produceerde in tien jaar tijd vier bundels, die niet veel opwinding teweegbrachten in letterenland. Naast een kleine dichtbundel in de Slibreeks pende Schaffer twee volwaardige bundels bij elkaar, Kooi en Mens Dier Ding, waar hij veel lauweren voor oogstte; Schaffer is de meest succesvolle dichter van deze vijf.

In totaal ontvingen bovenstaande dichters € 655.000 voor het schrijven van zestien bundels, waarvan we er vijf wonderwel geslaagd kunnen noemen. De samenleving heeft best wat over voor eerste kwaliteit poëzie.

Een volledig overzicht van de subsidietoekenning vindt u hier: pdf.

Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

‘Om kort te gaan houdt het copyright de schrijver bij de burgerij, en het is inderdaad opmerkelijk hoe weinig revolutionair creatief schrijven tegenwoordig is, hoe weinig het op zoek is naar een echt ander model van samenleving. Er is natuurlijk de subversieve schrijvershouding – ruimdenkend, antiautoritair – die paradoxaal genoeg bijna een conventie is geworden; er wordt van een auteur verwacht dat hij ontevreden is met de samenleving. Maar met zijn royalty’s gebaseerd op internationale overeenkomsten, zijn elektronische overboekingen, de aanpak van copyrightpiraterij, is de auteur eerder een voortbrengsel van de gevestigde orde dan haar vijand.’ – Tim Parks in Waarom ik lees. De veranderende wereld van het boek (2014)

Ik heb geen idee hoeveel boeken er jaarlijks in Europa of Azië verschijnen, maar weet wel dat Parks het overgrote deel niet gelezen heeft. En ik betwijfel of zijn steekproef – de boeken die hij wél las – representatief genoeg is om bovenstaande uitspraak over ‘revolutionair creatief schrijven’ te kunnen rechtvaardigen. Misschien is het vandaag de dag wel een kwestie van ontdekken, moet je er, nu idealistische uitgevers en boekenwinkels met een lampje moeten worden gezocht, zelf actief naar op zoek gaan. Ik prijs me overigens gelukkig dat er in Nederland weer een hemelbestormende uitgeverij als Leesmagazijn is opgestaan, die al enkele jaren boeken uitbrengt die je op maatschappelijk vlak echt aan het denken zetten. Ze zijn er dus nog: onafhankelijke geesten die hun creativiteit inzetten voor vernieuwing en verbetering en zich níet door kapitalistische tegenwerking uit het veld laten slaan.

Het verlangen naar spetterend vers (8)

Momenteel verdiep ik me in Na het paringsritueel van Willem Thies. Omdat ik benieuwd was naar Alfred Schaffers oordeel las ik vanochtend zijn recensie van deze bundel in De Groene Amsterdammer. In elke recensie schemert wel iets van de gevoelens door waarop de recensent zijn oordeel vormt. Zo houdt Schaffer van verrassing, precisie, meerduidigheid, spontaniteit en verstaanbaarheid. Hij wil als lezer niet vergeten worden, voldoende aangereikt krijgen om een gedicht te kunnen vatten, begrijpen. Iets waar ik minder waarde aan hecht.

Ik kan gedichten, evenals beeldende kunstwerken, fraai vinden zonder dat ik er in slaag om ze volledig met mijn verstand te volgen of er een bevredigende uitleg aan weet te geven. Thies’ gedicht ‘Mimicry’ is daar een voorbeeld van.

MIMICRY

1
de najaarsspreeuwen, glanszwart en bronspurper, als één wezen
pulserend om valk te verwarren

afwisselend opgeblazen en slinkend, wijder en dichter
zich uitstulpend, stuwend
een Chinese militaire choreografie

2
zij ontwierp halssieraden, geweven stoffen, woorden, het snoert

in haar slokdarm de gloed van rijstwijn, antracietgrijs haar werktenue, uniform

3
zonnige krans je haar, blauw je me aan, je koralen lach, alles zo puur
dat het zou verpulveren als de schubben
op de vleugel van een dagpauwoog dakpansgewijs gerangschikt
wanneer ik haar vingerzacht raak

Dit is een triptiek, die je als lezer aanmoedigt om tussen drie afzonderlijke, uiteenlopende voorstellingen samenhang te zien en betekenis aan het geheel te geven. Mimicry verwijst naar spontane gedragsimitatie, bij mens en dier. Dieren doen dat meestal uit zelfbehoud, een zwerm spreeuwen bijvoorbeeld, mensen hebben er vaak sociaal voordeel bij. In het tweede vers wordt, zo meen ik, onbewust kopieergedrag van kunstenaars aan de orde gesteld, wat vooral grijze middelmaat aan kunstwerken lijkt op te leveren, waarin de eigenheid van de maker niet langer zichtbaar is. Het wordt de zij overigens niet voor de voeten geworpen, maar heeft hier slechts de vorm van een constatering. Het tegenovergestelde van mimicry vinden we in het afsluitende vers: puurheid. In de zin van onvervalst, echt. Het levert een scherp contrast op met het voorafgaande en verheldert de zaak. Maar in dit laatste vers is het pure zó teer, dat het niets verduren kan. Je kunt er alleen nog maar naar verlangen. Draait het hier soms om een herinnering? Is de zij – het tweede vers staat in de verleden tijd – intussen uit het leven van de verteller verdwenen?

Meer vragen dan antwoorden. En dan kun je dit sterke gedicht ook nog eens poëticaal lezen. Wie?

Chinees terracottaleger, 2018 © Ton van ’t Hof