Het bijhouden van dit reflectieve dagboek is een creatieve bezigheid ín de tijd. Het dagboek zelf is in de eerste plaats een concreet overblijfsel van het leven dat ik geleefd heb, een erfenis uit vroeger tijd. Maar in het reflecteren op, het nadenken over, evalueren van wat geweest is, zit ook onmiskenbaar iets van een blik vooruit. Niet alleen wil ik leren van gemaakte fouten maar ook bepalen, zij het slechts zeer globaal, wat ik in de komende tijd nog zou willen doen, hoe ik me ga gedragen.

Intermezzo, waarin ik twee kattenbakken schoonmaak en hoor dat Sven Kramer olympisch goud heeft gewonnen op de vijf kilometer.

In dit dagboek ben ik zélf een vraagstuk geworden.

Naar de bieb geweest en Birney’s De tolk van Java ingeruild voor Arendts Vita Activa. In het biebcafé de Bak nog een pint gedronken.

Monet was 1,65 meter lang. Wat, naar hedendaagse maatstaven, aan de kleine kant is. In zijn tijd zat hij evenwel maar enkele centimeters onder het gemiddelde.

Ben gisteren begonnen in Alfred Birney’s roman De tolk van Java, die in 2017 de Libris Literatuur Prijs won. Na bijna veertig bladzijden staan me de overige vijfhonderd al tegen. Zonder dat ik precies weet waarom. Het verhaal is beslist stijlvol geschreven. Misschien heeft het iets te maken met het genre, autobiografische roman: de verhaalde gebeurtenissen kúnnen op de werkelijkheid gebaseerd zijn, maar dat hoeft dus niet. Misschien is mijn hang naar waarheid met betrekking tot ons koloniale verleden te groot om een risico op hersenspinsels voor lief te kunnen nemen.