Over de kunst van het kijken

In De kunst van het reizen geeft Alain de Botton, in een poging om Vincent van Goghs kunstenaarschap te doorgronden, een mogelijke definitie van ‘slechte’ kunst: ‘een aaneenschakeling van verkeerde beslissingen bij het kiezen van wat afgebeeld en wat weggelaten moet worden.’ Om een verkeerde van een goede beslissing te kunnen onderscheiden, heeft men kennis van een optimale eindsituatie nodig, van het volmaakte kunstwerk. En over die kennis beschikken we gelukkig niet. De Bottons definitie kan dan ook niet serieus worden genomen.

Vincent van Gogh was geen uitzonderlijk kunstenaar omdat hij betere beslissingen op het doek nam, maar omdat hij dingen anders zag en anders uitbeeldde dan zijn tijdgenoten. De Botton weet dit aspect met een treffend citaat uit een van Van Goghs brieven te onderstrepen:

‘De cipressen houden me voortdurend bezig, het verbaast me dat niemand ze nog heeft gedaan zoals ik ze zie. Hun lijnen en verhoudingen zijn net zo mooi als die van een Egyptische obelisk. En ze zijn van zo’n uitgelezen kleur groen. Het is een ‘zwarte’ vlek in een zonnig landschap, maar wel een van de meest interessante donkere noten die ik me kan voorstellen en een van de moeilijkste om goed te treffen.’

Van Gogh week van toentertijd gangbare conventies in de schilderkunst af: zijn kleuren waren feller, zijn verhoudingen schever, zijn penseelvoering bewust onbeholpener en, misschien wel het allerbelangrijkste, hij liet zijn gevoelens in zijn schilderijen duidelijker tot uitdrukking komen dan zijn vakbroeders. Van Gogh bracht aspecten van de werkelijkheid naar voren, die eerder verborgen waren gebleven. We kunnen, zoals De Botton betoogt, ‘los van Van Goghs schilderijen cipressen blijven zien’, maar ze zien er na de Zundertenaar wel voor altijd anders uit.

De kunst van het reizen, Alain de Botton, Pandora, 10e druk, 2009

Over de kunst van het reizen

Waarom reizen we? En dan bedoel ik niet het pendelen tussen kantoor en thuis maar het zwerven, het ogenschijnlijk doelloos rondtrekken, tijdens vakanties bijvoorbeeld, van A naar B naar C etc. In De kunst van het reizengeeft Alain de Botton daar geen sluitende verklaring voor. Uit individuele motieven probeert hij meer algemene beweegredenen te deduceren. Zo wordt de Britse romanschrijver Raymond Williams aangehaald – reizen als ‘alternatief voor het zelfzuchtige welbehagen, de gewoonten en de beslotenheid van de alledaagse samenleving’ – en ook Gustave Flaubert, die wilde ontsnappen ‘uit de gegoede kleinburgerlijkheid’ en in zijn dagboek uitriep: ‘ik verveel me, ik verveel me, ik verveel me’. Hang naar exotisme is volgens De Botton een veelvoorkomende aanleiding tot het pakken van de reiskoffers:

‘[D]e charme van een buitenlands oord [komt] eenvoudig voort uit het besef dat het nieuw en anders is, dat je er kamelen aantreft waar thuis paarden zouden rondlopen, dat je er onopgesmukte panden vindt, waar thuis zuilen zouden staan. Maar misschien is er sprake van een nog groter genoegen: misschien waarderen we uitheemse elementen niet alleen omdat ze nieuw zijn, maar omdat ze beter in overeenstemming lijken met onze aard en overtuigingen dan al wat ons eigen land te bieden heeft. […] Wat we in het buitenland exotisch vinden kan precies datgene zijn waarnaar we vergeefs hunkeren in ons eigen land.’

Ook nieuwsgierigheid kan ons volgens De Botton aanzetten tot reizen, waarbij hij Nietzsche citeert, die onderscheid maakte tussen het verlangen naar nieuwe feiten, dat ooit ontdekkingsreizigers dreef, en het loffelijke gebruik van ‘reeds welbekende feiten voor innerlijke, psychologische verrijking.’ De Botton beseft wel dat niet iedere reiziger als vanzelfsprekend interesse heeft in, bijvoorbeeld, de fresco’s aan de muren van een oude kerk; aan nieuwsgierigheid liggen namelijk prikkelende vragen ten grondslag:

‘Als kind willen we weten: “Waarom is er goed en kwaad?” “Hoe zit de natuur in elkaar?” “Waarom ben ik ik?” Als de omstandigheden en het temperament het toelaten, breiden we deze vragen gedurende onze volwassenheid uit en richt onze nieuwsgierigheid zich op een steeds omvangrijker gebied van de wereld, totdat we op zeker moment die ondefinieerbare fase bereiken waarin niets ons meer verveelt.’

Als je fresco’s of andere uitheemse zaken niet in verband kunt brengen met kwesties die je bezighouden, dan blijven ze vaak stomvervelend. En dan kunnen sommigen af en toe, in een vreemde omgeving, ‘worden overvallen door de sterke behoefte in bed te blijven en het volgende vliegtuig naar huis te nemen.’

De kunst van het reizen, Alain de Botton, Pandora, 10e druk, 2009