Form is what happens

m20

Hoewel Robert Creeley zijn bekende uitspraak ‘form is never more than an extension of content’ later nuanceerde, geven vroege brieven de ontwikkeling van deze gedachte goed weer. Begin 1950 schreef hij, 23 jaar oud, het volgende aan Larry Eigner:

‘It’s just that a preoccupation with form, a preoccupation that excludes the building of the form with the building of an idea’s expression in the mind, that makes the form dominate the sense (simply), isn’t good.’ (Uit: The Selected Letters of Robert Creeley, University of California Press, 2014.)

Naderhand corrigeerde Creeley zich en zei: ‘Form is what happens.’ Natuurlijk, denk ik dan, maar aan de totstandkoming ervan gaat een artistiek proces vooraf. Wat mij interesseert zijn de keuzemogelijkheden daarbij: (1) enkel bekommernis om inhoud, (2) enkel bekommernis om vorm en (3) bekommernis om beide. Ik zou hier nog aan toe willen voegen: zet niet te snel alles in op mogelijkheid 3.

‘Vorm is “wat de kunstzinnige daad aan nieuw denken mogelijk maakt.” Kunst dient de mens “tot enige buitensporigheid tegenover zichzelf” te dwingen.’ — Alain Badiou

(Dit bericht verscheen eerder, op 10-09-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Maar we ontkomen niet

MAAR WE ONTKOMEN NIET

Huiskamerlezing, gehouden op 1 februari 2014 op een bovenkamer aan de Potgieterstraat te Utrecht

We staan vanavond in een opwindende internationale traditie, zetten deze voort. Omdat we buiten het reguliere literaire circuit bij mekaar komen, hebben huiskamerlezingen iets opstandigs, revolutionairs: ze bieden ruimte aan afwijkingen van de norm. En wie mij en/of mijn werk kent, weet dat ik daar in ben geïnteresseerd: het abnormale, ongewone, als mogelijke belichaming van een baanbrekende propositie.

‘The events known as Spicer’s Vancouver Lectures took place in Warren and Ellen Tallman’s home beginning on Saturday, June 13, 1965. “Jack set up these three evenings in which he went through The Holy Grail and so on.” Robert Blaser described them. “There were three lectures in which Jack Spicer gives the first real description of his […] later poetics – dictation and the serial poem.”‘ – Poet Be Like God: Jack Spicer and the San Francisco Renaissance, Lewis Ellingham and Kevin Killian, Wesleyan University Press, 1998

Twee maanden later stierf Spicer aan de gevolgen van zijn alcoholisme, 40 jaar oud. De geluidopnames van de Vancouver Lectures zijn de enige opnames waarop we Spicers stem nog kunnen horen.

Maarten van der Graaff en Nanne Nauta, de onvolprezen organisatoren van deze avond, hebben mij gevraagd om in twintig minuten iets te vertellen over mijn band met het werk van George Oppen, over zijn ‘Zes en twintig fragmenten’ die ik vertaalde, en om wat voor te dragen uit mijn nieuwe reeks antwoordgedichten op Oppens fameuze ‘Of Being Numerous’. Dat wordt proppen. Ik zal noodgedwongen kort en onvolledig zijn, en beginnen met mijn eerste antwoordgedicht, waarin mijn poëtica, dat wil zeggen de stand van zaken op dat gebied op dit moment, zich lijkt samen te ballen:

1

De toestand
waarin we verkeren en die doorzien
is onszelf leren kennen

de gebeurtenis
die het evenwicht breekt

de zonderlinge loop der dingen

waarvan is gezegd
onze lange mars naar vervolmaking.
Maar we ontkomen niet.

‘Ze vragen je “maar wat was er dan zo bijzonder” en het bijzondere was, weet ik nu, dat ik niet alleen bij al die anderen maar ook bij mezelf een heimwee bespeur, niet naar barricaden of politiecharges, niet naar ellenlange verklaringen en politieke chicanes, niet naar de opwinding van de opwinding, naar het zelf beleefde journaal of de uitgekomen onheilsprofetie maar wel naar die vreemde, onuitlegbare tinteling die in de lucht hing, die bijna aanraakbare verwachting, die in de lucht hing, die totale, ontroerende openheid van iedereen tegen iedereen, het mengsel van hoop, naïviteit, tactiek en eerlijkheid, alles wat nu, nu de wereld er weer uitziet als de wereld, onzichtbaar is geworden.’

Over mijn band met George Oppen en zijn invloed op mijn bundel Aan een ster/ she argued (Uitgeverij Stanza, 2009) hield ik in november 2010 een lezing in Perdu onder de titel ‘A sense of being in the world’. Oppen werd in 1908 geboren en stierf in 1984, 76 jaar oud, mede aan de gevolgen van Alzheimer. Hij ontving in 1969 als nog tamelijk onbekende dichter voor Of Being Numerous onverwacht de Pullitzer Prize. Wat mij aantrekt in Oppens werk formuleerde ik eerder zo:

‘Voorwerpen, feiten, omstandigheden, brandbommen, de Koude Oorlog, Agent Orange, Auschwitz. Te midden hiervan speurt de dichter Oppen naar waarheid. Of, zoals hij zelf aangeeft in zijn essay “The Mind’s Own Place” (1963): “It is a part of the function of poetry to serve as a test of truth.” […] Als laatmodernist blijft Oppen geloven in een gesprek met de geschiedenis, wil de deur niet definitief dichtgooien, maar de confrontatie aangaan en consequenties trekken uit het menselijk falen. Hij wil herstellen van de shock en weer gevoel krijgen er te zijn, “a sense of being in the world”. […] Oppen is zich verdomd goed bewust van de talige betekenisinflatie. Wat mij intrigeert is dat hij het niet laat zitten bij het postmoderne onthullen ervan, wat hij zeker ook doet, maar tegelijkertijd blijft zoeken naar mogelijkheden tot deflatie, tot het herwinnen van een betekenisvolle basis van waaruit kan worden gesproken over waarheid en zingeving. Maar waarom heeft hij bij dit alles gekozen voor de kunst als toetsinstrument en niet, bijvoorbeeld, de filosofie of de politiek? Hierop geeft Oppen zelf het volgende antwoord: omdat “het goede leven”, dat hij definieert als “the thing wanted for itself”, een puur esthetische aangelegenheid is. Ik geloof dat we hier de fundamentele opvatting en tegelijkertijd de uitdaging te pakken hebben waarop Oppen zijn oeuvre bouwt. Hij wil, te midden van de fnuikende storm van het vooruitgangsgeloof, opnieuw betekenis geven aan het leven en zoekt daartoe houvast bij de kunst en de esthetische ervaring. […] Er valt af te dingen op Oppens definitie van “het goede leven” als “het verlangen naar het ding zelf” en op zijn mening dat het een puur esthetische aangelegenheid is, maar zijn vertrouwen in het gedicht als laboratorium waarin mede vanuit de materialiteit van de taal zinnig onderzoek naar existentiële kwesties kan worden gedaan, deel ik volkomen. Of, zoals Wittgenstein zegt: “And to imagine a language means to imagine a form of life.”‘

Oppen had de gewoonte om invallen op papiertjes te krabbelen om ze te kunnen bewaren. Na zijn dood werden er tientallen op en in zijn bureau gevonden. De meest interessante krabbels werden onder de titel ‘Zes en twintig fragmenten’ gepubliceerd als laatste deel van zijn totale oeuvre. Joost Baars vroeg mij in 2011 om ze voor het online magazine blue-turns-grey te vertalen. Telkens als ik ze weer lees komt de gedachte op aan een met zijn geheugen worstelende George Oppen totdat Alzheimer hem het schrijven volledig onmogelijk maakt. Fragment 17 kent drie variaties van wat de aanzet tot een nieuw gedicht lijkt te zijn. Het is een bijzonder fragment omdat het wel eens Oppens afsluitende woorden zouden kunnen zijn over wat poëzie voor hem was, betekende. Hiertoe kroop hij in de huid van de Spaanse conquistador Hernán Cortés, die tussen 1519-1521 Mexico veroverde.

Cortez komt aan.
hij is volstrekt verdwaald
op een onbekende kust.
en hij is verrukt

(dit is de aard van poëzie

Het gedicht:

Cortez komt aan op een onbekende kust
hij is volstrekt verdwaald
en hij is verrukt

Cortez komt aan op een onbekende kust
hij is volkomen verdwaald
maar hij is verrukt

Onder het genot van een espresso formuleerde ik op 25 december 2013, eerste kerstdag, de volgende overweging:

Elk gedicht maakt op zijn minst één statement. / In het licht van het statement dat een gedicht maakt is al het andere techniek. / Elk gedicht nodigt ook uit om over de poëzie te praten. / Elk gedicht wacht op antwoord.

Enkele dagen later drong het idee voor een nieuw project zich op: andermans cyclus antwoord geven, gedicht voor gedicht. Dit idee eenmaal omarmd liet ik mijn keuze al snel vallen op George Oppens reeks ‘Of Being Numerous’, die uit veertig gedichten bestaat. In dit monumentale werk dat hij halverwege de jaren 60 van de vorige eeuw schreef, doordenkt Oppen de verhouding tussen zichzelf als individu en de werkelijkheid van zijn tijd, ook vanuit ontologisch oogpunt, waarbij Heidegger een belangrijke aangever is geweest. Om Oppens verzen gepast te kunnen beantwoorden, kom ik niet onder een herlezing uit van wat er sinds Heidegger op ontologisch gebied aan nieuwe inzichten verkregen is. Ik ben begonnen bij Alain Badiou en lees nu Bruno Latour; beiden hebben inmiddels hun sporen in mijn antwoordgedichten achtergelaten.

Elk antwoordgedicht is een reactie op het gelijkgenummerde gedicht uit ‘Of Being Numerous’, waarbij ik me op mijn verhouding tot mijn tijd tracht te bezinnen, maar de teugels wel in handen zijn en blijven van de antwoordgedichten zelf. Ik lees er tot besluit nog twee voor.

3

‘Wat geen verandering ondergaat
is de wil tot verandering’ – het verzet

tegen dat wat wordt waar-
of aangenomen: we kwamen
tot stilstand

stichtten een stad

verdienden een woordenschat aan activiteiten
tulpomanie bijvoorbeeld. Dan weer

in opstand

tegen verkalking
oude antwoorden
de vleesetende bloem.

4

Als de stad nog grijs en leeg is
en de jeugd zich realiseert dat het leven
dat van hun in elk geval, is

wat er is

en ook wel betekenis genoemd wordt

dan is een breuk
waardoor de wereld met andere mensen
nieuwe vormen krijgt waaruit van alles kan voortkomen
onvermijdelijk, oudje

en bijtende humor zal niet helpen.

(Dit bericht verscheen eerder, op 02-02-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Literair dagboek

Na een gemoedelijk oud en nieuw in Leeuwarden keerden we via de Afsluitdijk huiswaarts. Onder een loodgrijze hemel had het IJsselmeer een lichtzeegroene kleur. Ik nam me voor om 1hundred1 dit jaar in een heus dagboek te veranderen, met een literaire focus uiteraard.

Het centrale thema van mijn antwoord op Oppens cyclus ‘On Being Numerous’ krijgt langzaam vorm (ik citeer uit Joost de Bloois en Ernst van den Hemels Alain Badiou. Inesthetiek: filosofie, kunst, politiek): ‘Hoe verandering, beweging en het nieuwe te begrijpen en vooral de mogelijkheid ervan open te houden?’ Een onderwerp dat me ook in mijn niet-literaire leven, als militair, al langere tijd bezighoudt. De eerste twee gedichten – van wat een reeks van veertig moet worden – staan in de steigers. Er moet nog worden geschaafd. Hieronder het tweede gedicht zoals dat nu klinkt.

2

In het voetspoor van
heeft zich van alles gevormd
wat doorgaans ook weer verdwenen is; de status-
quo kon niet worden gehandhaafd

telkens opnieuw van de
of het
naar een.

Tijd spot met ambities.

In de verte verrijst een stad. Uit zoete flow

worden we opgeschrikt door een tel

stilte: zie

hoe wolken boven de kranen dansen
onder de vleugels van de wind, verrukking dumpen
in alles wat vergankelijk is.

Ik heb de behoefte om meerdere boeken tegelijk – simultaan – te lezen, altijd gehad, niet alleen vanwege de afwisseling, maar ook om uiteenlopende zaken naast elkaar te kunnen plaatsen en verbindingen met elkaar te laten aangaan. Ik lees al enige dagen in The Collected Essays of Robert Creeley en verschillende boeken over het werk van Alain Badiou, en ben vandaag ook nog begonnen in Poems for the Millennium, Volume Four: Book of North African Literature (University of California, 2012), samengesteld door Pierre Joris en Habib Tengour. Ik heb het gevoel dat dat boek me ademruimte kan verschaffen naast het benauwend intensieve Oppen-project. Wat ik uit de inleiding oppikte: de Europese lyrische poëzie heeft eerder Arabische dan Occitaanse (taal van de troubadours) wortels.

‘And yet it has been known since at least 1928, via the work of the Spanish linguist Julián Ribera, that the obvious root of troubadour is the Arabic tarab, “to sing,” specifically to sing a musical poetry that produces an exalted state.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 01-01-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Wat geen misse boel is

Ik zie het haastig heengaan van het poëziepubliek met ongeruste blik aan. Ben het met Chrétien Breukers eens dat een dichter zonder gehoor een ‘hogere vorm van autisme’ is. Wat geen misse boel is, als je dat verkiest, en het fiksen van mooie gedichten niet in de weg hoeft te staan, maar ik wil het niet.

Raakt de poëzie ons nog wel voldoende? Weet zij vandaag de dag de zintuigen nog genoegzaam te prikkelen? Op basis van de teruglopende belangstelling zou je kunnen concluderen van niet.

Komt het dan hier op neer: nieuwe vormen van zintuiglijk prikkelen uitvinden? Constructie geven aan iets wat nog niet bestaat?

Badiou geeft een koerslijn mee: vaar logisch, verrassend en afstandelijk.

(Dit bericht verscheen eerder, op 16-02-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (17)

Eerder schreef ik: vanuit een bezielende houding verwachten Harmens en Pfeijffer ‘van de literatuur niet dat zij oplossingen biedt, maar wel dat zij de wereld verandert.’ Dit is een functionele eis: literatuur als vehikel of drager van verandering. Hieruit spreekt een geloof in de mogelijkheden van de kunst, een vertrouwen in haar relevantie. Wat ontbreekt in Harmens’ en Pfeijffers pamflet is het hoe: op welke wijze zou literatuur haar functie als vehikel van verandering dan kunnen uitoefenen? Aan welke specificaties moet zij voldoen? In essentie zijn dit vragen naar vorm.

Voor Badiou is vorm ‘wat de kunstzinnige daad aan nieuw denken mogelijk maakt.’ Kunst dient de mens ‘tot enige buitensporigheid tegenover zichzelf’ te dwingen.

Buitensporigheid = breken met ‘wat er is’ = doorbreken van de gelederen van de Symbolische Orde.

Poëzie waarin

‘een generieke “sensitieve” lyrische spreker een facet van zijn of haar wereld overpeinst en daar opmerkingen over maakt, het heden met het verleden vergelijkt, een aantal verborgen emoties openbaart of tot een nieuw begrip van de situatie komt, en waarin de taal meestal concreet en gemeenzaam is, ironie aanwezig en metaforen talrijk, de syntaxis eenvoudig, het ritme gedempt, ingetogen,’

leidt vandaag de dag niet of nauwelijks meer tot buitensporigheid.

(Dit bericht verscheen eerder, op 06-05-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (5)

Bertold Brecht schreef het gedicht ‘Daurten wir…’:

Duurden wij oneindig
Dan veranderde alles
Daar wij echter eindig zijn
Blijft veel bij het oude

Volgens Hegel is de essentie van het eindige de herhaling en niet de afbakening, de grens, vage ruimtelijke intuïties: ‘de zich herhalende onvruchtbaarheid, de iteratie, het vasthouden aan Hetzelfde.’ Maar in de daad om te komen tot resultaat zit de mogelijkheid tot oneindigheid besloten: ons ‘immanente creatieve vermogen, die onvernietigbare kracht [om] buiten de grenzen te treden.’ De herhaling voorbij. Voor Badiou is vorm ‘wat de kunstzinnige daad aan nieuw denken mogelijk maakt.’ Kunst dient de mens ‘tot enige buitensporigheid tegenover zichzelf’ te dwingen.

Bertold Brecht schreef ook het gedicht ‘Und ich…’:

En ik dacht almaar: de eenvoudigste woorden
Moeten volstaan. Als ik zeg wat er is
Moet dit toch ieders hart verscheuren.
Dat je ten onder gaat als je je niet verweert
Dat zul je toch wel inzien.

Brecht vraagt zich af: Wanneer zal het nieuwe eindelijk komen? Elders geeft hij als antwoord: pas als alles in puin ligt. Een somber vooruitzicht, waar we in onze herhaling regelrecht op afstevenen. Alle reden om onszelf te haten. Ik pleit voor kunst die de mens in hoge mate veracht.

(Dit bericht verscheen eerder, op 16-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (4)

In De twintigste eeuw betoogt Alain Badiou:

‘Het Manifest getuigt juist van een hevige spanning waarmee men beoogt alle vermogens van de vorm en van de schijn in dienst van de werkelijkheid te stellen.’

In deze zin is Harmens’ en Pfeijffers proclamatie een heus avant-gardistisch manifest: als pleidooi voor een creatieve aanpak van maatschappelijke problemen. Maar ze ontketenden geen storm. Door de afwezigheid van esthetische richtlijnen lijkt Manifest voor een riskante literatuur een lege huls. En als we Socrates mogen geloven is zelfs die pretentieus:

‘Ook over de dichters kwam ik dus al heel gauw tot de slotsom dat ze niet werken met bewust inzicht maar krachtens een bepaald instinct en in goddelijke vervoering, zoals de godsprofeten en waarzeggers. Die zeggen immers ook veel moois maar ze weten niet waarover ze het hebben. Aan een dergelijk euvel bleken ook dichters te lijden. En bovendien merkte ik dat zij vanwege hun dichtkunst meenden ook op alle andere gebieden de knapsten te zijn, wat niet het geval was.’

Badiou merkt daarentegen op: ‘De essentie van het denken zit altijd in de macht van de vormen.’ Literatuur is vorm. Harmens en Pfeijffer ageren tegen de hedendaagse gelatenheid, onderworpenheid aan de leegte. Maar ze zijn niet radicaal genoeg.

(Dit bericht verscheen eerder, op 15-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)