Smaakoordeel gestut door gatenkaas

De titel van Calvin Bedients essay, Against Conceptualism: Defending the Poetry of Affect, spreekt boekdelen: deze hoogleraar in ruste heeft iets tegen conceptuele poëzie. Hij maakt zich zorgen over onze toekomst: ‘de 20e eeuw heeft menselijkheid synoniem gemaakt met onmenselijkheid’. Daar zou Bedient wat aan willen doen. Van dichters verlangt hij in dit verband dat ze het verleden en de toekomst niet ‘negeren’ en de poëzie ‘levend’ houden door – en hier worden Deleuze & Guattari geciteerd – ‘nieuwe beelden en affecten te creëren’. Conceptuele poëzie focust evenwel op het concept, waardoor de verbeelding en het gevoel op de achtergrond raken. In deze armzalige staat kan geen betere toekomst worden opgebouwd.

Cruciaal in deze redenering zijn de veronderstellingen dat (1) poëzie alleen levend kan worden gehouden door het scheppen van nieuwe beelden en affecten, en dat (2) conceptuele poëzie niet in staat is om deze nieuwe beelden en affecten voort te brengen.

Bedient zet de aannemelijkheid van veronderstelling 2 zelf op losse schroeven door meerdere malen te wijzen op conceptuele poëzie die afwijkt van de veronderstelde regel, bijvoorbeeld Srikanth Reddy’s ‘Voyager’ en Juliana Spahrs ‘HR 4811 is a joke’. Dit betekent dat, aangenomen dat veronderstelling 1 waar is, Bedient zelf al aangeeft dat ook het conceptualisme kan bijdragen aan het in leven houden van de poëzie en het opbouwen van een betere toekomst.

Veronderstelling 1 levert vragen op als: Wat wordt precies bedoeld met levend houden? En: Klopt de opsomming wel en is zij inderdaad limitatief? Stof om verder over na te denken.

Wat overblijft van Bedients essay is een mening van iemand die de poëzie van ‘Rimbaud, Vallejo, Césaire en meer recent Raúl Zurita’ liefheeft en een afkeer van het werk van dichters als Kenneth Goldsmith en Christian Bök; een smaakoordeel gestut door gatenkaas.

(Dit bericht verscheen eerder, op 17-09-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)