Dat ik het gedicht nog meemaken mag

Onder het genot van een kop koffie lees ik Chrétien Breukers’ berichtenreeks ’De staat van de poëzie‘ op De Contrabas en vraag me af welke conclusies ík zou willen trekken uit de dalende verkoopcijfers. Even later stuit ik via de site van the Paris Review op de volgende regels van de Amerikaanse dichter Laurance Wieder uit (sic) 1972 (in het gedicht ‘Water Is The Mother Of Ice’ uit de bundel The Coronet Of Tours):

Improvements in poetry have not matched
Corresponding improvements in business

Kom er via Google vervolgens achter dat Wieder tegenwoordig vooral in psalmen zit. Psalmen. Dat lijkt me vandaag de dag, in Nederland in elk geval, nog eens tanende business. Mijn kinderen weten niet wat een psalm is. Ik ga croissants halen (mijn bakkertje in Amsterdam is op zondag open).

Als ik terug ben pak ik, chocoladecroissant in de mond, Miguel Declercqs bundel Boven water, die ik gisteren las, er nog eens bij. Achille van den Branden stoorde zich aan Declercqs narcisme, ik niet. Herlees nog eens de laatste gedichten waarin Declercq na een worsteling van jaren zijn schrijverspen hervindt. Speur naar het waarom van poëzie voor Declercq maar vind niets. Nou ja, dat hij wil schrijven dan, zich uitdrukken, in gedichten die als klappen zijn in het gezicht van deze tijd.

Als het gedicht niet méér is dan een vorm waar we ons in plegen uit te drukken, dan is er geen enkele reden om aan te nemen dat het op termijn niet verdwijnen zal, vervangen door een andere uitdrukkingsvorm, zoals de psalm aan het overkomen is, ooit onwrikbaar verbonden met een toen nog springlevend geloof, geloof ik.

Buiten schijnt de zon. We weten dat zelfs die ooit zal verdwijnen. Maar minder snel dan de boekenkast in het doorsneegezin. Ik ga straks wandelen. In een mooie witte wereld. Prijs me gelukkig dat ik het gedicht nog meemaken mag.

(Dit bericht verscheen eerder, op 10-02-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)