Aalgeer

Vergeten woorden (1)

De eerste Dikke Van Dale verscheen in 1872, het jaar waarin zijn samensteller Johan Hendrik van Dale, ‘hoofdonderwijzer en archivaris te Sluis’, op 44-jarige leeftijd aan de pokken overleed. Dit ruim 1400 bladzijden dikke boek is ‘eene nieuwe uitgave’ met ‘ontelbare verbeteringen’ van het Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal, dat onder redactie van de broers Isaac en Nathan Calis in 1864 was uitgebracht. Op een van de titelbladen lezen we wat het bevat:

1. De meest gebruikelijke woorden, spraakwendingen en spreekwoorden;
2. De bastaardwoorden, die reeds het burgerrecht hebben verkregen of vrij algemeen worden gebezigd, en
3. De meeste kunstwoorden.

Hoewel Van Dale graag een ‘volledig woordenboek’ het licht had laten zien, besefte hij dat geen enkel woordenboek ‘volledig kan genoemd worden, en dat, ook in de beste, op de duizend woorden, die er in staan, er doorgaans honderd gemist worden.’ Desondanks hoopte hij zich verdienstelijk te hebben gemaakt. Zijn ‘voorbericht’ wordt als volgt afgesloten: ‘[H]et zal mij eene zoete belooning zijn voor de vele vrije uren, welke ik aan deze arbeid heb opgeofferd. Moge hij velen van nut zijn!’

Ik mag graag grasduinen in oude woordenboeken, op zoek naar in onbruik geraakte woorden, als bewaarplaatsen van ‘de kernachtigheid, het naïeve, de maagdelijkheid’ van onze taal. Al op de eerste bladzijde met lemma’s van deze eerste Van Dale kom ik verschillende woorden tegen die niet meer op de meest recente Woordenlijst Nederlandse Taal voorkomen, waaronder: aafband, aafschhands, aalkast, aalkubbe en aalrijk. Boeiend vind ik het woord ‘aalgeer’, dat ook toen al was verouderd:

AALGEER, m. (…geeren) elger, vork om aal te steken. [Het thans gebruikelijke ‘elger’ is uit ‘aalgeer’ ontstaan; daarom verdient het pleonastische woord AALELGER, dat men enkele malen aantreft, afkeuring.]

Op internet weet ik een foto van een 18e-eeuwse aalgeer te achterhalen. Het lijkt me doeltreffend vistuig. De weerhaken moeten voorkomen dat alen kunnen ontsnappen. Ik vraag me af hoe het werd uitgesproken: áálgéér of iets als aelger, waaruit elger gemakkelijk kon ontstaan? Dit oude woordenboek geeft er geen aanwijzingen voor.

De komende tijd zal ik verslag blijven doen van mijn zoektocht naar ‘vergeten woorden’ in dit wonderschone boek, dat overigens voor iedereen toegankelijk is: Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal, samengesteld door J.H. van Dale en uitgegeven door Martinus Nijhoff, A.W. Sijthoff en D.A. Thieme in 1872.