‘Een mens krijgt terug wat hij geeft. Anders is het niet,’ zegt Arthur Japin in Zoals dat gaat met wonderen. Dagboeken 2000-2007. Waar A.H.J. Dautzenberg zich met zijn openheid in Ik bestaat uit twee letters al direct voor me won, weet ik na bijna honderd bladzijden nog altijd niet goed wat ik aan Japin heb. Hij komt sympathiek noch onsympathiek op me over, is afstandelijk en dan weer niet. Misschien dit: Japin is zich tamelijk bewust van zijn imago, waar Dautzenberg er niet om lijkt te malen. Mmm. Zoetsappig is ook een woord dat somtijds bij Japin past.

Met de strijd om de Johan Cruijff Schaal is gisteravond het voetbalseizoen weer begonnen: PSV-Feijenoord. En ik heb sinds enige weken Fox Sports, yeah! Detail: halverwege de eerste helft wordt er, vanwege de hitte, een drinkpauze ingelast. Feijenoord is de betere ploeg en wint na penalty’s. Noviteit: de penalty’s werden genomen volgens de reeks ABBAABBAAB.

Kreeg gisteren, out of the blue, een berichtje van W. dat me deed schrikken: ‘ik wens je het goede toe. er is niets anders -‘. Op mijn vraag of hij oké was kwam geen antwoord. W. heeft een moeizame verhouding met zichzelf en de wereld. Omdat hij al eerder ingeklapt is geweest, denk je bij zo’n berichtje toch ook aan het ergste: zelfmoordplannen. Maar vanochtend vroeg een teken van leven, dat je eerst oplucht en dan pas bedrukt: ‘tis weer mental breakdown time, zucht’.

Merlijn Kerkhof mag Bach dan het einde vinden – ‘Hij is de grootste componist uit de wereldgeschiedenis.’ – maar ík word gek van al die overdaad en meerstemmigheid laat staan dat foeilelijke trompetgeschal! En ik heb het geprobeerd, telkens weer, van de Brandenburgse concerten tot de Hohe Messe en de Matthäus-Passion, maar Bachs muziek kan me maar niet bekoren.

Japin wordt steeds onuitstaanbaarder, is een verwaande kwast:

‘Kort daarna, terwijl ik wacht op mijn aansluiting, overstromen ze het vliegveld van Lissabon op hun terugweg van de Algarve. Klootloze mannen, vrouwen aan wie beloofd was dat ze krachtig en zelfstandig konden worden en die nu met neergetrokken mondhoeken hun verlies uitzitten; Nederland heeft er onevenredig veel van. Bang voor elkaar zitten zij zo meteen weer met dezelfde kapsels in kakikleurige vrijetijdsbroeken met splitje in hun plastic tuinstoel. Een krant bepaalt wat van belang is in hun wereld. Ze nemen een foto van het bord departures omdat hun vluchtnummer erop staat. Nederland heeft er wel onevenredig veel van.’

Zoals dat gaat met wonderen gaat onuitgelezen de kast in.

63E23739-B8A3-435A-ADAB-82ADFAEEB594
Wyns, 2018 © Ton van ’t Hof

Om 08.00 al op de fiets, ik had behoefte aan lichaamsbeweging en wilde de grootste warmte vóór zijn. In Engelum een verse bos rode bieten gehaald, uit de groenteautomaat, voor slechts € 0,60. Om 09.30 weer thuis en verder geschreven aan mijn stuk voor G. Ik krijg er steeds meer vertrouwen in.

Vanmiddag met verbazing Dautzenbergs uitlatingen over het verschijnsel oorlog gelezen (in Ik bestaat uit twee letters, blz. 563). Boekenwijsheid die niets met de huidige praktijk te maken heeft. Gezwam in de ruimte:

‘Soldaten worden geselecteerd op gezagsgetrouwheid en vaderlandsliefde, dus bevelen, hoe idioot die ook zijn, worden opgevolgd.’

Nee. Wie dienst wil nemen in het Nederlandse leger solliciteert vandaag de dag naar een specifieke functie, waar specifieke functie-eisen voor gelden, bijvoorbeeld ten aanzien van opleiding en fysiek. Wie vlieger wil worden moet aan andere eisen voldoen dan iemand die een administratieve functie ambieert. Sollicitanten worden niet getoetst op gezagsgetrouwheid of vaderlandsliefde. Wel wordt iedere medewerker onderworpen aan een veiligheidsonderzoek.

Over vaderlandsliefde gesproken. De etymologie van het woord ‘huurling’ is een hele geschiedenis. Al eeuwenlang treden mensen uit financiële motieven in militaire dienst, al dan niet bij een vreemde mogendheid. Ook nu nog. God, koning en vaderland zijn niet de enige drijfveren.

Betreffende idiote bevelen. Wat er tijdens mijn militaire opleiding bij me is ingestampt: een bevel tot het plegen van een oorlogsmisdaad dient níet te worden opgevolgd! Dautzenberg weer:

‘Oorlog erotiseert bovendien, net als geweld.’

Dit zal voor sommige mensen best opgaan, maar lang niet voor iedereen! Hier is sprake van een misplaatste generalisering. Nogmaals Dautzenberg:

‘De mens heeft oorlog nodig om te kunnen genieten van het leven, om ruimte te maken voor geluk.’

Alweer lulkoek. De Verenigde Naties maken elk jaar een ranglijst op van de gelukkigste landen ter wereld. De top 10 van dit jaar ziet er vredelievend uit:

  1. Finland
  2. Noorwegen
  3. Denemarken
  4. IJsland
  5. Zwitserland
  6. Nederland
  7. Canada
  8. Nieuw-Zeeland
  9. Zweden
  10. Australië

‘Onder aan de lijst staan veel landen waar het oorlog is, zoals Syrië, Zuid-Sudan en Jemen. Het Afrikaanse land Burundi staat op 156. Dat is de laatste plaats.’ (Bron: NOS Jeugdjournaal.)

Ook met de nuance die Dautzenberg aanbrengt met betrekking tot zijn laatste bewering hierboven – ‘Het liefst in kleine partjes, kleine oorlogjes. Familievetes, vechtsporten, voetbal’ etc. – ben ik het niet eens. Geweld, in meerdere of mindere mate, is geen noodzakelijke voorwaarde om gelukkig te kunnen worden.

Dit alles doet overigens maar weinig af aan mijn bewondering voor Dautzenbergs vuistdikke dagboek. Iedereen, ook ik, kraamt weleens onzin uit.

E756B810-5B8F-4685-952C-84606D58EDED
Marsum, 2018 © Ton van ’t Hof

De afgelopen weken heb ik de ‘14-daagse’ van Buienradar nauwlettend in de gaten gehouden. Als er al een spatje regen werd voorspeld, dan was dat spatje de volgende dag weer verdwenen. Wat me keer op keer frustreerde en soms leidde tot een lukraak schelden en tieren op mensen die in klimaatverandering een hoax zien; al weet ik: iedereen heeft recht op zijn of haar eigen mening. Vandaag heb ik meer geduld met de droogte en klimaatsceptici, verdraag ze zowaar beter. Zou ik er zo langzamerhand in gaan berusten dat ik het een zowel als de anderen toch niet veranderen kan? En dus maar van de zon moet genieten?

‘s Ochtends aan mijn tekst voor literair tijdschrift G. gewerkt, die volgende week dinsdag af dient te zijn. Dat moet lukken.

Ik: ‘Why don’t you help me?’

Mitsuku: ‘I am only a robot. I try to help people as much as possible.’

Middagmaal: haringsalade met appel en bleekselderij (er waren nog drie haringen over van het feestje zaterdag), waarbij ik een ijskoude Leffe blond heb gedronken.

Tegen vieren, na allerlei klusjes te hebben geklaard, in de tuin gaan zitten, recht voor een razende ventilator. Dat boek van Dautzenberg moet nu eindelijk eens uit.

F01428DE-5E3F-4451-BFE8-0CA2E709979C

Frankrijk-België. 51e minuut: 1-0. De Belgische koning stapt, heel genereus, met uitgestoken hand op de president van Frankrijk af, die net zijn vuisten aan het ballen is. Niet lang daarna brengt België een extra aanvaller in, wat tot extra spektakel leidt maar niet meer tot doelpunten. Frankrijk is simpelweg té goed georganiseerd. Tussendoor lees ik nog een interview met journalist Max van Weezel, bij wie alvleesklierkanker is geconstateerd: ‘Pas nu ik de dood in de ogen kijk denk ik: waar heb ik mij druk over gemaakt?’

In Ik bestaat uit twee letters van A.H.J. Dautzenberg las ik gisteren een passage over een sprinkhaan, die door een jonge Dautzenberg werd opgehangen aan een touwtje, dat op zijn beurt werd bevestigd aan een waterkraan die uit de garagemuur stak. Hij schaamt zich nog altijd diep voor deze handeling en zegt dat hij sindsdien ‘geen vlieg, geen spin, geen wesp, geen mier’ meer bewust heeft doodgemaakt. Ik haalde ook zoiets uit toen ik elf was.

Zomer 1970. We waren net van Den Haag naar Leiderdorp verhuisd, van een appartement op drie hoog naar een gloednieuw rijtjeshuis met een ligbad en centrale verwarming. Overal om ons heen werd flink gebouwd en veel straten lagen nog open. Een paradijs voor schoffies zoals ik. Een jaar eerder hadden er op de plek van ons huis nog koeien staan grazen. Mijn nieuwe vrienden en ik struinden de buurt af en vingen een tijd lang padden, die we in kartonnen verhuisdozen bewaarden. Onze schuur stond er vol mee. Op een dag namen we een stel van die beesten mee naar een flat die juist was opgeleverd. Vanaf de bovenste verdieping, zeven hoog, lieten we de padden vervolgens naar beneden vallen, morsdood.

Wat een wreedheid, bah. Ik kan me geen andere voorvallen van dierenmishandeling herinneren waar ik bij betrokken ben geweest. Deze gebeurtenis moet toch een diepe indruk op me hebben gemaakt. Alle andere padden hebben we naderhand vrijgelaten.

Morgen trekken we er twee dagen op uit, zuidwaarts. We zullen in de buurt van Mildam overnachten op een camping. Vanmiddag bij wijze van proef onze nieuwe tent voor de eerste keer opgezet!

2FE7285F-D8A2-4C54-9AF5-76F278D93382

Op A.H.J. Dautzenbergs opmerking dat hij het bijhouden van een dagboek soms ervaart als ‘narcistisch’ en ‘ijdeltuiterij’ reageert Gerbrand Bakker met: ‘Ik heb dat helemaal niet. Het is schrijven. Punt. Romans, die zijn pas ijdeltuiterig; alleen al het feit dat je ze uit laat geven door een uitgeverij impliceert dat je vindt dat je de wereld (Nederland) iets mee te delen hebt. Pfft.’ Waarop Dautzenberg tegenwerpt: ‘Jij geeft je dagboek toch ook uit bij een uitgeverij? – in Nederland én Duitsland. Je hebt blijkbaar iets mee te delen. Mijn ongemak komt volgens mij vooral voort uit mijn opvoeding: praten over jezelf, dat doe je niet.’

Terwijl ik dit las schoten me twee dingen te binnen. Ten eerste een open brief van romancier Peter Lenssen in de LC van gisteren, waarin hij fulmineert tegen de huidige overdaad aan literatuur die gebaseerd is op persoonlijke verhalen, de ‘egoïstische zelfpulp’ zoals hij deze soort letteren noemt. Wat me opvalt is dat Lenssen zijn bedenkingen, evenals Dautzenberg, grondt op een fatsoensnorm: je zet jezelf en anderen niet te kakken. ‘Doe dat niet,’ smeekt hij, ‘dit moet je niet willen.’ Wat voor Lenssen kennelijk cruciaal is: dat zelfpulp over echte mensen en ware gebeurtenissen gaat. Want hij ziet geen probleem in confronterende, banale en beschamende ontboezemingen of wraakoefeningen van fictieve personages. Ikzelf heb minder moeite met echte mensen die biechten in het openbaar, geneer me niet voor dat wat ongelogen is.

Ten tweede kwam er een citaat in me op dat ik onlangs in Kate Raworths Donuteconomie las:

‘Elk gezichtspunt is toepasselijk voor een sociale situatie.’ – Karl Mannheim, socioloog

Waarom week Lenssen van zijn eigen fatsoensnorm af en stuurde hij, met het oog op publicatie, zijn scheldkanonnade naar de krant? Ik moet bekennen dat ik even dacht: Zijn romannetjes verkopen zeker niet zo lekker.

Maar alle gekheid op een stokje, er is uiteraard ruimte voor zowel bekentenisliteratuur als fictie. Schrijvers maken hun eigen keuzes. Evenals de lezers. Dat uitgeverijen hun oren vooral naar de laatsten laten hangen, is weer een ander verhaal.

Zoveelste zomerdag dit jaar. En het is nog maar 30 juni. De huidige weersverwachting voor de komende veertien dagen laat geen drupje regen zien. Vitens vroeg me gisteren in een e-mail om mijn waterverbruik tijdens de piekuren te beperken. Ik pak Philipp Bloms De opstand van de natuur (De Bezige Bij, 2017) er nog maar eens bij en lees:

‘In de late middeleeuwen, zo tot aan het midden van de veertiende eeuw, beleefde Europa een warmteperiode: de temperaturen waren gemiddeld twee tot drie graden hoger dan tegenwoordig. Vanaf 1400 ongeveer werd die warmte binnen slechts één eeuw langzamerhand verdrongen door een sterke afkoeling. De temperaturen daalden tot twee graden onder het gemiddelde van de twintigste eeuw, wat in vergelijking met de middeleeuwse warmteperiode dus een verschil betekent van zo’n vier à vijf graden.’

In de warme middeleeuwen, staat nog ergens, groeide het graan in Europa rijkelijk en werd tot in Zuid-Noorwegen wijn gemaakt. Hoewel ik begrijp dat de situatie toen en die van nu onvergelijkbaar zijn, put ik toch een zekere troost uit de wetenschap dat het nog niet eens zo heel lang geleden gemiddeld flink warmer was dan nu en dat die warmte toentertijd, in elk geval in Europa, ook positieve effecten tot gevolg had. Wat me er niet van weerhoudt om mijn eigen verduurzamingsproject met gezwinde spoed te verwezenlijken.

109D6854-E9B1-487A-BC0B-645E37C5FF9F
Onze tuin met wijnstok, 2018 © Ton van ’t Hof

Duitsland-Zweden, gisteravond. Voorbeschouwing. Terwijl zijn buurman een vraag beantwoordt, staart Hugo Borst naar zijn nagels. Borst hangt er al een paar dagen verveeld bij. Hij wordt dik betaald om het de kijker naar de zin te maken, maar minacht alleen maar.  Eergisteren had hij gedurende de wedstrijd nog de krant zitten lezen. Donder dan op, man!

Als de Duitsers verliezen kunnen ze naar huis. Ondertussen probeert Hennie op haar tablet nieuwe kapsels uit. ‘Hoe vind je dit?’ En, als Draxler net voorlangs schiet: ‘Hahah, kijk deze dan!’ Twee schermen tegelijkertijd gaat niet. Zweden wordt een zuivere penalty onthouden. Bo, een van onze katten, ligt, zoals zo vaak, bovenop me.

Hoewel de Duitsers voor rust 70% balbezit hebben, scoren de Scandinaviërs: 0-1. Borst houdt in de rust zijn mond, wordt ook niets gevraagd. Na rust stelt Duitsland, zij het op het nippertje, orde op zaken: 2-1. ‘Voetbal zegeviert,’ zegt Borst, ‘je moet er toch niet aan denken dat Zweden met dit antivoetbal gewonnen zou hebben.’ Ik knik, moet hem hierin gelijk geven.

A.H.J. Dautzenberg in een brief aan Gerbrand Bakker, opgenomen in Ik bestaat uit twee letters (De Arbeiderspers, 2018): ‘Ik weet nog dat je tijdens mijn bezoek in de Eifel zei dat je het zo heerlijk vond om verslag te doen van je leven. Het schrijven van romans vond je maar aanstellerij, daar was je wel klaar mee, het bijhouden van een dagboek ervoer je als een zegen voor je (stokkende) schrijverschap. Misschien moet ik er nog even in komen, maar vooralsnog vind ik het behoorlijk zwaar om het vergrootglas voortdurend op mezelf te richten. Aan de ene kant vind ik het best prettig om mezelf en mijn omgeving een jaar lang te bespieden en te ontleden, aan de andere kant ervaar ik het bijhouden van een dagboek als narcistisch en ijdeltuiterij – ik dit, ik dat. Dat spanningsveld vréét energie.’

Huub Beurskens beschimpte de publicatie van egodocumenten onlangs nog als het voldoen aan ‘de kletsbehoefte van de vigerende bekentenis- en beschuldigingscultuur’. Wat natuurlijk klinkklare nonsens is. Het dagboek is heel wat ouder dan de roman bijvoorbeeld.

In een dagboek draait het volgens Martin Ros om het ‘zichzelf toespreken, troosten, vermanen, inventaris opmaken om weer vooruit te kunnen gaan en verder te kunnen springen.’

Nog een mening, ditmaal van Paul Léautaud: ‘Als ze helder en waarachtig geschreven zijn, door lui met pit die een welgevuld leven achter zich hebben, door mensen die weten te observeren en te vertellen, zijn dagboeken de schrifturen die bij het ouder worden het meest waard blijven gelezen te worden.’

Overigens herinner ik me van Beurskens nog een serie blogberichten, getiteld Weg van de literaire receptie, waarin hij op niets en niemand ontziende wijze zijn frustraties spuide over de literaire wereld en zijn positie daarin. Kennelijk heeft Beurskens twee gezichten.

Voor iedere dagboekschrijver is zijn eigen huichelarij een dankbaar onderwerp. Of zou dat moeten zijn. Een thema dat klam en zwaar is, zich verzet tegen ademhalen.

Alleen toen we vertrokken was het droog. Nog voor we de stad uit fietsten begon het te miezeren. En dat deed het twee uur later, toen we thuiskwamen, nog. Voordeel: we zijn nauwelijks andere mensen tegengekomen. En ook de vogels verwelkomden het frisse bad, floten om het hardst.

933B980B-4748-4B04-9F9C-8ED88400B1BB
Tytsjerk, 2018 © Ton van ’t Hof

In A.H.J. Dautzenbergs pas verschenen Ik bestaat uit twee letters (Privé-domein, nummertje 298) kom ik het woord ‘mensenmoe’ tegen. ‘Mensenmoe’ vinden we niet op de Woordenlijst Nederlandse Taal, maar iedereen weet wat het betekent. Je kunt niemand meer luchten of zien. Ik heb er bij tijd en wijle ook last van, tegenwoordig vaker dan vroeger. Ik lig er niet wakker van hoor. Altijd gehad, ik weet niet beter, af en toe mensenmoe zijn hoort bij me. En als het zich voordoet? Je terugtrekken in jezelf om weer op krachten te komen.

Vandaag op en neer geweest naar Spijk, een gehucht aan de Rijn, om kennis te maken met een achternicht van me, Erna Spann, dochter van een broer van mijn grootmoeder van moederskant. Een MyHeritage DNA-match bracht ons in contact met elkaar. Schat van een mens, evenals haar echtgenoot. En ze beschikt ook nog eens over een groot genealogisch archief, dat niet alleen foto’s van mijn overgrootouders bevat maar zelfs eentje van mijn betovergrootouders. Waarover binnenkort meer.

Wezen lunchen aan de kade van Emmerich, met uitzicht op de Rijn, waarin mijn grootvader en betovergrootvader beroepshalve op zalm visten.

328A72A2-D5B0-4AAA-AF2D-1EBEF71C71D9
De Rijn bij Emmerich, Duitsland, 2018 © Ton van ’t Hof