‘Met een biografie kun je hetzelfde doen. Het sleepnet raakt gevuld; de biograaf haalt het op, sorteert, gooit terug, bewaart, fileert en verkoopt. Maar denk eens aan wat hij allemaal niet vangt; dat is altijd veel meer. De biografie is er, zij staat dik en gezapig op haar plank, vol eigendunk en onverstoorbaarheid; voor een leven van een shilling krijg je alle feiten, voor een van tien pond krijg je alle hypothesen er ook nog bij. Maar denk eens aan wat er allemaal is ontkomen, wat er ontsnapt is toen het onderwerp van de biografie zijn laatste adem uitblies.’ – Julian Barnes in Flauberts Papegaai.

Tijdens de eerste langere wandeling sinds ruim een week vanochtend niet al te veel last gehad van mijn achillespees. Over een paar dagen ben ik weer helemaal boven Jan. Onderweg nagedacht over hoe we personen aan de hand van feiten kunnen omschrijven. Hamvraag in dit kader: welke feiten belichten we wel en welke niet? Het kiezen van een invalshoek kan daarbij helpen. De opsomming hieronder is mijn antwoord op de vraag: welke feiten vormen de grondslag voor wie je denkt te zijn? Nu ik de reeks nog eens doorneem ben ik overigens niet zo zeker meer van mijn zaak.

Een chronologie:

1959: Anton Theodoor, roepnaam Ton en eerste kind van Lambertus Ludovicus Theresia van ‘t Hof en Maria Geertruida Margaretha van ‘t Hof-Leupen, wordt geboren in Haarlem.

1961: Wordt broer van zus Garrie.

1963: Wordt broer van zus Ankie.

1970: Wordt lid van voetbalvereniging Racing Club Leiderdorp.

1978: Gaat niet naar de kunstacademie.

1982: Slaagt aan de Koninklijke Militaire Academie en wordt bevorderd tot Tweede Luitenant.

1984: Drinkt voor het eerst een glaasje grappa.

1986: Trouwt met Hinke Trijntje (Hennie) Brandsma. Wordt vader van zoon Tim.

1987: Verhuist naar Heinsberg-Kempen, Duitsland.

1988: Wordt vader van dochter Anoek.

1995: Koopt eerste huis, in Apeldoorn.

1997: Begint weer gedichten te schrijven. Wordt in het kader van de Joegoslavische oorlogen uitgezonden naar het Combined Air Operations Centre (CAOC) Vicenza, Italië, en vervult daar de functie van Senior Operations Officer.

2003: Drukt 112,5 kilo.

2005: Richt samen met Chrétien Breukers poëzieweblog De Contrabas op.

2006: Wordt Commandant van het Air Operations Control Station Nieuw Milligen.

2008: Wordt uitgezonden naar Kandahar, Afghanistan, en vervult daar de functie van Deputy Commander Kandahar Airfield.

2013: Voelt zich vernacheld door collega’s.

2014: Krijgt te horen dat hij lijdt aan chronische lymfatische leukemie.

2015: Koopt laatste huis, in Leeuwarden.

2017: Gaat met functioneel leeftijdsontslag. Publiceert zijn elfde poëziebundel Dichter & andere dingen. Begint weer te schilderen.

4FF2B0A9-97A8-4B6F-AD07-DDA774AA8530
Oude Meer, Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

Nog geen jaar geleden werd het schilderij Les bords de la Seine au Petit-Gennevilliers (De oevers van de Seine bij Petit-Gennevilliers) van Claude Monet bij Christie’s geveild voor vier miljoen euro. Gisteren kwam ik het in museum Singer Laren tegen, waar momenteel een deel van de kunstverzameling van de Van Vlissingen Art Foundation wordt tentoongesteld onder de titel Impressionism & Beyond: A Wonderful Journey. Er hangen drie Monets tussen, waarvan Les bords de imponerendste is.

Monet heeft het buiten, mogelijk vanaf een boot, en in enkele uren geschilderd. Lucht, water en zeilboten zijn zeer snel neergezet, waarbij de schilder handig gebruik heeft gemaakt van het doek: het meeste grijs is namelijk onbeschilderd canvas. Aan oevers en huizen is meer verf gespendeerd. Monet was 34 toen hij deze impressie van een zomerse dag maakte, enkele kilometers buiten het Parijs van toen. Petit-Gennevillier was destijds een aan de Seine gelegen woonwijkje van het dorp Gennevillier, waar rijke Parijzenaars villa’s lieten bouwen. Wellicht zien we hier van enkele van deze villa’s hun rode pannendaken. Petit-Gennevillier is in het huidige Parijs een industriezone. Gelukkig is het schilderij er nog.

9C42291C-365E-468C-BD8D-4D48C262DD78
Les bords de la Seine au Petit-Gennevilliers, Claude Monet, 1874

Na mijn bezoek aan Singer Laren doorgereden naar Amsterdam, waar ik ‘s avonds samen met Tim in Paradiso een adembenemend concert van Nils Frahm bezocht; wat kan deze gozer componeren en spelen! Hij bracht zijn nieuwe plaat All Melody ten gehore en enkele oudere succesnummers. Hieronder bespeelt hij met twee wc-borstels de snaren van zijn piano (het betreffende nummer heet ‘For – Peter – Toilet Brushes – More’ van zijn plaat Spaces uit 2013).

4DFEA208-73E4-4F6E-BF29-27043A9BB85F

Gerbrand Bakker was vijftig toen hij een oud huis in de Eifel kocht. Hij wilde al heel lang iets buiten, terug naar het platteland, maar niet terug naar zijn geboortegrond, in Noord-Holland, omdat hij bang was dat hij daar dan overspoeld zou worden door weemoed en melancholie. ‘Dat zou ik niet trekken,’ schrijft hij in Jasper en zijn knecht, ‘vandaar dat ik zo tevreden ben met heuvels en dalen, beuken- en sparrenbossen, beekjes en rivieren, zwarte ooievaars, ringslangen en hazelwormen (ik wil Koos van Zomeren en zijn vrouw hier nog eens uitnodigen), duizenden overtrekkende kraanvogels in maart (naar het noorden) en in november (naar het zuiden), een voor mij vreemde taal.’

Zat vanochtend al rond tienen aan de overkant van de Westersingel terwijl de zon langzaam door de sluierbewolking heen brak. Zitten schilderen tot de batterij van mijn iPad leeg raakte (ik schilder op een iPad Pro). Tegen enen weer thuis met razende honger en opgefrist hoofd.

Je thuis voelen, dat is wat Bakker doet in de Eifel en ik in het Friese gewest doe. Ik ben geboren in Haarlem en opgegroeid in Den Haag en Leiderdorp, maar ga er voor geen goud naar terug. Te veel mensen, te druk. Beton en bakstenen. Geef mij de lage Friese horizon maar, waarboven de duizelingwekkende wolken.

D3FBA97F-7335-44DC-BB4B-F8DF3366971E
Westersingel, Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

‘Over de hele wereld raakt het water sneller op dan het wordt aangevuld’, lees ik in de ochtendkrant, we verbruiken te veel en verspillen te veel. De hoogleraar die wordt aangehaald is ‘positief over de toekomst, maar dan moet de wereld de komende jaren grote stappen zetten.’ Ik ben minder positief. Dé wereld is té verdeeld om grote stappen te kunnen zetten. Dikke kans dat er strijd wordt aangegaan. Lees vervolgens ook maar weer eens dat rundvlees om idiote hoeveelheden water vraagt, ruim 15.000 liter per kilo, en schrap alle vlees van mijn boodschappenlijstje.

Een uurtje door de stad gewandeld. Ik heb last van mijn linkerachillespees – oude kwaal – en moet het deze week wat rustiger aan doen. Het is vandaag alwéér grijs en alwéér winderig; ik word er zo langzamerhand behoorlijk sikkeneurig van. Thuis dan toch eindelijk begonnen aan het samenstellen van het eerste deel van mijn schrijversdagboek, dat een keuze uit mijn blogberichten uit de periode 2009-2017 omvatten zal. Zonder notenapparaat maar met een namenregister. Om het e.e.a. zelfstandig leesbaar te maken zal er ook moeten worden geredigeerd. Al met al best een klusje.

In bad aan Gerbrand Bakkers deeltje in de Privé-domeinreeks begonnen, Jasper en zijn knecht (2016). Had nog nooit wat van hem gelezen en moest wennen aan zijn, uh, enigszins houterige stijl. Maar hij boeit me vooralsnog wel. Ben benieuwd of zijn verhuizing naar de idyllische Duitse Eifel ook de uitwerking heeft die hij beoogde. Daarnaast wil ik weten wat Bakker van het dagboekschrijven bakt. De lineaire tijdlijn die aan het boek ten grondslag ligt en loopt van december 2014 t/m december 2015, wordt in elk geval herhaaldelijk doorbroken door herinneringen, oude verhalen, een terugkijken op het verleden.

In een mum van tijd door de 1e druk van Dichter & andere dingen heen. De 2e rolt binnen enkele dagen van de persen. Komende week zullen nieuwe bestellingen met enige vertraging worden afgeleverd.

Vanmiddag naar de bios geweest, Médecin de campagne, over het leven van een Franse plattelandsdokter. Met François Cluzet – wat lijkt díe vent toch op Dustin Hoffman – en Marianne Denicourt in de hoofdrollen. Zalige film. Na afloop een groot verlangen naar het Franse buiten!

Koude voeten. Ik heb koude voeten. Draai me om, leg mijn voeten voor de open haard neer.

Eigenlijk heb ik als schrijver van dit schrijversdagboek geen andere wens dan de realiteit te beschrijven, de mijne welteverstaan.

Of toch: daarnaast wil ik experimenteren met het autobiografisch genre, de dagboekschrijverij in een nieuw kleedje steken als het even kan.

Maar het is uiteindelijk allemaal bedoeld, begrijp dat goed, om sporen na te laten. Na mijn dood. Mijn denkbeeldige lezer heeft me dan ook overleefd.

Ondertussen blijven de bestellingen maar binnenkomen; Jan en alleman, inclusief boekhandelaren, wil naar aanleiding van de recensie in de NRC mijn laatste bundel hebben. Ik ben bijna door de eerste druk heen. Morgen een nieuwe partij laten maken.

Waar moet dit heen? De marge betekent ook: speelruimte, die nu juist zo beslissend is voor mijn poëzie (= experimentele poëzie).

En ook: die boekhandelaren hebben vast geen idee wat ze in huis halen, gaan gewoonweg op vijf sterren af.

Subversief, dat is het woord wat nu in me opkomt,

nippend aan een glas rode wijn.

Gisteren verscheen er in de NRC een recensie van mijn laatste bundel Dichter & andere dingen. Recensent Obe Alkema waardeerde de bundel met 5 sterren. Ik heb er een extra glas wijn op gedronken. Dit is wat hij schreef:

ZAGEN AAN HET NEDERLANDSE ZELFBEELD

Dichter en beroepsmilitair Ton van ’t Hof belicht in zijn verzamelde gedichten de recente Nederlandse geschiedenis. Zo zet hij Nederland neer als een land van conflict en strijd.

Dichter & andere dingen, de elfde bundel van dichter en beroepsmilitair Ton van ’t Hof (1959), brengt een eigen selectie uit tien jaar dichterschap samen met nog ongebundeld werk. De inleiding van deze verzamelbundel, geschreven door dichter Frank Keizer, zegt daarover dat deze keuze het mogelijk maakt om het bestaande werk in dialoog te laten treden met het nieuwe(re) werk dat ‘het bekende weer nieuw kan maken’.

Er is natuurlijk sprake van een wisselwerking, want ook het oude oefent invloed uit op het nieuwe. Dat openbaart zich al in het openingsgedicht, afkomstig uit debuutbundel Je komt er wel bovenop, waarin hij clichématige, zelfverheerlijkende en pijnlijke wetenswaardigheden over Nederland tot een schaamlap weeft:

nederland is groot geworden door immigratie
door invloeden van andere culturen
door de aziaten bruut uit te buiten
door een ruimhartig toelatingsbeleid

Van ’t Hof zaagt aan het Nederlandse zelfbeeld door zowel hardnekkige misverstanden te reproduceren als naakte waarheden te tonen. Het selectieve geheugen laat bijvoorbeeld het koloniale verleden vaak achterwege, terwijl Van ’t Hof dat hier en in andere gedichten weer onder de aandacht brengt.

Belangrijk om te weten is dat Van ’t Hof Nederland godzijdank niet als een onproblematische categorie beschouwt, maar als een terrein van conflicten en strijd, zoals Keizer ook opmerkt. Dat is zichtbaar in het meerstemmige ‘nederland is groot’, maar ook in het nieuwe lange gedicht ‘Archieflichamen’, waarin op encyclopedische wijze namen uit Nederlands koloniale verleden opgesomd worden, van ‘COCKBURNE, slecht bewaakt werd, besloot, daarop eene kans te wagen.’ tot ‘WATSON, uit Bombay hadden ingenomen, zich hier meester van het gezag, waaraan men ook de vermindering van den Hollandschen handel moet toeschrijven’.

Afghanistan
Ook onze recente geschiedenis wordt kritisch doorgelicht. In de bundel Aan een ster / she argued vinden Van ’t Hofs ervaringen tijdens zijn uitzending in Afghanistan hun weerslag. Vooral ‘Kamer’, dat slechts gedeeltelijk is opgenomen in de bundel, is grandioos. Van ’t Hof geeft in dit gedicht alle tekst weer die hij in februari 2009 op zijn kamer in Afghanistan tegenkwam. Het resultaat is een aaneenschakeling van banale teksten uit bijvoorbeeld de krant of van medicijn-etiketten. De plaatsgebondenheid van de dichter wordt zo benadrukt: hoe schrijf je over een oorlog die zich voor je ogen voltrekt? Alles om je heen is getuige. Van ’t Hof laat expliciet commentaar achterwege. Triviale teksten geven blijk van een dagelijks leven dat ondanks de oorlog buiten doorgaat en zetten zo de situatie nog meer op scherp. De oorlog echoot hard tussen de post, een editie van het poëzietijdschrift Awater en een Nespresso-reclame.

Keizer noemt het werk van Van ’t Hof een radicale vorm van geschiedschrijving. In zijn werk is er geen sprake van een cover-up. Juist het tegenovergestelde: Van ’t Hof uncovert wat lang verborgen was en situeert dat in het heden: het oude en het nieuwe treden opnieuw in dialoog.

Werkwijze
Dit is het ene aspect dat me zo aantrekt in zijn werk. Aan de andere kant is dat de werkwijze van de dichter: hij houdt zich bezig met ideeën en procedures. Aan veel van zijn gedichten ligt een model ten grondslag. In het geval van ‘Kamer’ was dat het verlangen alle tekst in Van ’t Hofs kamer weer te geven. De bundel Fantastisch dat je dit kan! (2011) is een weergave van het commentaar dat een aantal journalisten uitsprak tijdens de Tour de France in 2010. De achterliggende redenen voor deze tekst lezen we dan weer in ‘Mijn poëzie’, dat een collage is van uitspraken die critici over zijn werk gedaan hebben. De gedichten spreken dus niet alleen over historische zaken, maar ook over elkaar.

Niet alleen het materiaal, maar ook het vormen van dat materiaal bevindt zich altijd op de breuklijn tussen het oude en het nieuwe. De concepten waarvan Van ’t Hof zich bedient, zijn veelal bedacht door anderen. ‘Mijn poëzie’ is gestoeld op My Poetry van David Bromige (1933-2009). ‘Chatten met Jabberwacky’ baseert zich op hetzelfde gedicht van Charles Bernstein (1950). Van ’t Hof put hoofdzakelijk uit de rijke twintigste-eeuwse Amerikaanse poëzie. Hij gebruikt wat er al is om iets nieuws te maken dat op zijn beurt het bekende, de procedure, óók weer nieuw maakt. In dat opzicht heeft zijn werk iets van een archief. Behalve in dialoog te treden met literaire tradities opent Van ’t Hof ook ruimtes om te spreken met de getuigen van de geschiedenis, of die nu van eeuwen terug zijn of nog in het heden rondlopen.

D43CBE25-B630-4DFC-9935-5E518A256DD6

Blijf maar klooien met de naam van dit blog. Heb nu gekozen voor Groetjes uit Ljouwert, in navolging van Jeroen Brouwers’ nouveau journal – ik jat ook werkelijk alles – Groetjes uit Brussel (Manteau, 1969). Ondertitel: schrijversdagboek, want dat is uiteindelijk toch wat het is.

Het is me vaker overkomen: dat ik na publicatie van een nieuwe bundel poëzie de poëzie even niet kan uitstaan. Zo nu ook. Sinds Dichter & andere dingen begin oktober verscheen boezemde elk gedicht dat ik onder ogen kreeg me afkeer in. Blijkbaar de wijze waarop ik me van mijn geesteskinderen ontdoe. Maar er is verandering op komst: de Poëziekrant die vandaag op de deurmat viel werd niet, zoals het vorige exemplaar, linea recta in de prullenbak gedeponeerd. Dit nummer ga ik weer lezen.

Nog wat geschetst – het was heerlijk weer – vanmiddag, vlakbij huis. Het schuitje met graafmachine verdween echter al na een kwartiertje uit zicht, waardoor ik ter voltooiing uit mijn geheugen moest putten.

0BA165AD-53E4-4E08-82D0-FA1743230B93
Blokhuisplein, Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

We weten het al langer: voor de VSB Poëzieprijs komen slechts de bundels van een handjevol uitgeverijen in aanmerking. Dat laat de historie ons jaar na jaar zien. Zo ook deze laatste editie weer: genomineerd zijn twee bundels van De Bezige Bij, twee van De Arbeiderspers en eentje van Van Oorschot. Over het hoe en waarom is meer dan eens gespeculeerd. Het heeft de prijs wel tot een wassen neus gemaakt, gedoe dat aan een circus doet denken, de zelfbevestiging van een verrot systeem. Wat voor mij de reden was om niet langer bundels van Uitgeverij Stanza in te zenden. En gezien het kleine aantal inzendingen dit jaar (79 door 29 uitgeverijen) ben ik niet de enige die zijn conclusies getrokken heeft. Ik ben er dan ook niet rouwig om dat deze prijs gaat verdwijnen.

Nu hoor ik net op het nieuws dat er twee nieuwe sponsors gevonden zijn en dat de VSB Poëzieprijs onder een andere naam een doorstart gaat maken; ik wens de initiatiefnemers veel wijsheid toe en hoop van ganser harte dat ze ook de jurering zullen weten te innoveren.