Gerrit Jan Zwier: ‘Een dagboek moet óf rijk zijn aan gebeurtenissen, óf rijk aan ideeën, zei [Michel] Van der Plas nog, en het beste is natuurlijk als beide aanwezig zijn.’
     Ik had bovenstaande zin nog niet overgenomen of het volgende vond plaats: omdat ik de kerstboom water wilde geven, duwde ik enkele van de onderste takken omhoog en opzij, te wild waarschijnlijk, want de twee en een halve meter hoge boom vol ballen viel rinkelend om, bovenop Hennie, die net aankwam om me te helpen; alleen haar benen staken nog onder de boom uit.
     ‘Kunstwerken,’ zei de onlangs overleden Amerikaanse schrijver-criticus William Gass, ‘worden beheerst door de vraag: Waarom zus en niet zo?’ Deze kijk lijkt me typisch iets voor critici; die immers óok wat te doen moeten hebben. Veel kunstenaars zullen, denk ik, als antwoord hun schouders ophalen: zij nemen beslissingen vaak intuïtief, niet beredeneerd.
     Buiten Leeuwarden heerste de stilte. Op veel plaatsen was het nog behoorlijk glad; voor elk bruggetje moest ik van de fiets afstappen. Hoog in de lucht, tegen vijftig tinten grijs, wegtrekkende vogels. Wat waterhoentjes op besneeuwd gras. De weldaad van een gebrek aan gebeurtenissen.

DF430470-932B-4A6B-B9B6-C3CF24CBC0DB
Nije Wielen, Leeuwarden, 2017 © Ton van ‘t Hof

‘Dat doet ie nou elke keer!’ schreeuwt mijn vader en ramt op twee afstandsbedieningen tegelijk. Er verschijnt nog steeds geen beeld. ‘Soms zit ik hier wel een uur te klooien!’ Alle hulp wordt geweigerd. ‘Dat hele ding, geef het maar toe, is een verdomde miskoop!’ Mij rest nog verwondering. Hij zucht. Lijkt de handdoek in de ring te gooien. Staat dan op, loopt wankel naar de tv, zet de decoder uit en aan en gaat weer zitten. Binnen een minuutje is er beeld.
     Johannes Jelles Brandsma, zoon van Jelles Johannes, wiens vader Johannes Jelles heette, is een geval apart. Hij wordt in 1844 in Beers geboren en is Hennie’s overgrootvader in de stamreeks. Voor me liggen drie huwelijksaktes. Als Johannes 23 is trouwt hij met de 22-jarige Trijntje Bouwes Heeringa uit Winsum. Hij is dan arbeider, zij naaister. Ze krijgen samen zeven kinderen, onder wie een tweeling, Marijke en Lijsbeth. In 1881 overlijdt Trijntje echter. Ruim een jaar later treedt Johannes, inmiddels koopman, opnieuw in het huwelijk, ditmaal met Symentje Rientses Bakker, de weduwe van Jacob Douwes Heeringa, een broer van Johannes’ overleden echtgenote. Je voedde in die dagen nou eenmaal niet graag in je eentje een stel kinderen op. Maar in 1883 slaat andermaal het noodlot toe en moet Symentje worden begraven. Twee jaar later huwt Johannes, dan voerman van beroep, de twaalf jaar jongere weduwe Hinke Sytzes Hoekstra. Hier komen nog twee kinderen van. Tot aan Johannes dood in 1919 brengen ze in Winsum samen hun dagen door.

Volkomen eerlijk zijn en me niet mooier voordoen dan ik ben. Met deze woorden sluit ik me aan bij dagboekschrijver Gerrit Jan Zwier, die zich op zijn beurt aansluit bij dagboekschrijver Hans Warren, die zich op zijn beurt weer aansluit bij etc.
      Koos van Zomeren schreef met Het verhaal een bijzonder verhaal rondom de volgende kerngedachte: ‘Dat iedereen gelooft wat hem het beste uitkomt, denk ik nog steeds. Maar het is niet meer zo’n vernietigende, bijna haatdragende gedachte. In de loop der jaren is er een wanhopig soort deernis ingeslopen. Moet je niet elke poging om het leven inhoud te geven respecteren?’ De laatste zin slaat ook op een zelfmoord die verderop in het boek plaatsvindt. Uiteraard heeft Van Zomeren met ‘elke poging’ geen laakbaar gedrag in gedachten, althans daar zie ik hem niet voor aan.
      Dan nog: Moet je elke [niet laakbare] poging om het leven inhoud te geven respecteren? Ook als het op fundamentalistische, orthodoxe, antiliberale leest geschoeide handelwijzen betreft? Hierover moet ik nadenken.
      Wat doe je als iemand een boek bestempelt als ‘een van de beste reisboeken die er in Nederland verschenen zijn’? Op je qui-vive zijn. Wat doe je als je vervolgens hoort dat de schrijver ooit op de Hebriden verzuchtte: ‘Voor zo’n beroep [vuurtorenwachter] zou ik ook wel wat voelen.’ Met spoed aanschaffen dat boek! Wat ik gedaan heb: Aan de rand van de zee, Jan van der Vegt, Nijgh & Van Ditmar, 1976.
      Vanmiddag op familiebezoek in Almere. Er is sneeuw voorspeld.

Afgelopen week werd mijn uitzending naar Afghanistan, waar ik van oktober 2008 tot maart 2009 de NAVO-functie van plaatsvervangend commandant van het vliegveld Kandahar vervulde, driemaal in mijn geheugen teruggeroepen. De eerste aanleiding was een aflevering van het tv-programma De Reünie, waarin Nederlandse militairen bijeenkwamen die in 2007 op hetzelfde vliegveld hadden gezeten. Daarna zag ik een documentaire, op National Geographic meen ik, waarin beelden voorkwamen van KAF, zoals we het vliegveld gewoonlijk noemden – Kandahar Airfield. En gisteren werden er in verband met een recensie van mijn nieuwe dichtbundel enkele gegevens opgevraagd met betrekking tot mijn verblijf aldaar.
     Hoewel een ingrijpende periode denk ik niet vaak terug aan Afghanistan. Misschien is er sprake van verdringing, want de schaduwzijde van de uitzending is groot: ik heb in Afghanistan last gehad van wat ik, sinds het lezen van een krantenartikel, existentiële vervreemding noem: ik viel niet meer samen met de wereld en mijzelf. Het was geen depressiviteit, maar een geestestoestand die zich laat verwoorden in de vraag: ‘Yo, waar de fuck ben ik?’ Het openingsgedicht van mijn bundel Aan een ster / she argued, die ik in Kandahar schreef, eindigt met deze woorden.
     Vannacht werd ik wakker met de gedachte: er moet een boek van mijn tijd in Afghanistan komen. Nu ben ik daar niet zo zeker meer van. Wat ik wel weet: in een reeks blogberichten zal ik trachten uit te vogelen waarom deze existentiële vervreemding me nu juist in Kandahar overviel en niet tijdens eerdere uitzendingen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Op Vliegbasis Eindhoven staat het vliegtuig klaar dat ons naar Al Minhad in de Verenigde Arabische Emiraten zal brengen. Van daaruit zullen we met een militair transportvliegtuig doorvliegen naar Kandahar, Afghanistan. © Ton van ‘t Hof, oktober 2008

Het verhaal, Koos van Zomeren: ‘In de natuur ontbeert de dood het dramatische dat haar in de literatuur zo apart maakt.’
     Over doodgaan gesproken. Eenderde van de Nederlandse planten- en dierensoorten dreigt het loodje te leggen. Dat werd deze week door het Compendium voor de Leefomgeving bekend gemaakt. Niets nieuws, want we weten dit al heel lang. Lichtpuntje: na een sterke toename is het aantal bedreigde soorten sinds 2005 enigszins afgenomen. Of dit aan ons natuur- en milieubeleid valt toe te schrijven moet nog worden onderzocht. Niet iets om melodramatisch over te doen, integendeel: nog meer schouders eronder.
      Waarom mensen slechte dingen doen? Denk aan het allerslechtste dat je zelf ooit beging en vraag je af waarom je dat deed.
     Het onstuimige weer is geen reden om binnen te blijven. Ook de meeuwen zien de lol van de stormachtige zuidwester in. Bij bosjes hangen ze luid krijsend tegen de wind in of scheren pijlsnel met de wind mee over huizen en bomen. Laatst zei iemand dat wie geen verstand van vogels heeft vooral meeuwen ziet. Wat ik als vogelleek moet beamen, en lach met de meeuwen mee.
     Vanmiddag de koopovereenkomst getekend voor een ‘compleet zonnestroomsysteem’ inclusief installatie; twaalf zonnepanelen die ons huidige stroomverbruik volledig zouden moeten dekken. Plaatsing over enkele maanden. Ik heb een groen gevoel vanbinnen.

Wat nu in mijn leven gebeurt nu beschrijven omdat het straks op mijn blog moet zou, als ik Koos van Zomeren goed interpreteer, volstrekt strijdig zijn met de instelling die nodig is om literatuur te kunnen schrijven. Naast dit tempoverschil is er ook een verschil in instelling tegenover taal. Wie literatuur wil schrijven, zegt Van Zomeren, dient het woord echt zijn werk te laten doen. Hij zou overigens Van Zomeren niet zijn als hij niet toch had geprobeerd – en met succes – van zijn journalistieke werk ook literatuur te maken. Zijn dagelijkse column op de voorpagina van de NRC in de jaren negentig is hier een prachtvoorbeeld van. Welnu, veel pretenties heb ik niet, maar tegen een mooie zin of een aardige gedachte zo af en toe zou ik geen nee zeggen.
     De stad maakt een opgeruimde indruk. Niet netjes maar vrolijk, blij dat de sinterklaasgekte voorbij is. De wind blaast al het krankzinnige wereldnieuws uit mijn overprikkelde hersenen; ik heb vanochtend te lang op allerlei nieuwssites rondgedoold. Gelukkig breekt elke dag opnieuw een onbekend tijdperk aan. Wat zeggen wil: morgen kan alles weer anders zijn. Als ik door de Prinsentuin langs de Noorder Stadsgracht wandel realiseer ik me dat men, een handjevol mensen, nog maar twaalf of dertien eeuwen geleden, vanaf ditzelfde punt over de Middelzee uitkeek, die bij slecht weer in een woest beest kon veranderen. Onder Frankisch bewind werd graan aangevoerd en was de eerste houten kerk verrezen. Vijftig tot zestig voorvaders terug. ‘t Kan verkeren.

DE11BE5D-33C7-459A-8F95-2CFF3EFA3D31.jpeg
‘1 nikkelen kwartje inwerpen’, Sint Frederikssteeg, Leeuwarden, 2017 © Ton van ‘t Hof

Nog voor negenen in Frieschepalen voor een wandeling van ruim tien kilometer. Opnieuw een coulissenlandschap. Dat geeft je in elk geval nog het idée dat je af en toe in de luwte kan lopen. Grijze wolken trekken over en het is warm voor de tijd van het jaar. Aan het eind van deze week worden gelukkig zalige winterse buien verwacht!
     Frieschepalen, dat zo’n duizend inwoners heeft, ligt voorbij Drachten tegen de provincie Groningen aan. Om landbouw mogelijk te maken moest hier het hoogveen worden ontgonnen; we spreken dan over de 18e eeuw. Ik zie louter vrijstaande huizen om me heen, keurig onderhouden en op veel grond. Uit één van die huizen, aan de Kromhoek, komen een man, een vrouw en twee dezelfde soort honden. Zij loopt, hij zit in een elektrische rolstoel. Zij slaat met de ene hond rechtsaf, hij met de andere linksaf. Als ik haar en haar blaffende hond passeer zegt ze: ‘Net echt hè,’ doelend op de hond. Als ik de man inhaal groeten we en neem ik de geur van een fijne sigaar waar. Zijn gezicht doet me aan iemand denken. Honderd meter verderop weet ik het ineens: wijlen filosoof René Gude. Gedachten zijn springerige dingen.
      Achter het bord De Kromhoekster Kip: De kip van vroeger tel ik minstens zeven megakippenstallen, goed voor honderdduizenden kippen. Die ik niet hoor, maar wel ruik. Ik vraag me af wat deze kippen nu precies hébben van vroeger! Weet wel wat ze níet meer hebben: daglicht. Een mens gaat op den duur dood zonder daglicht. Deze legbatterijkippen krijgen daar de gelegenheid niet eens toe: voor die tijd maken we ze af.
      Nu het lichter wordt vliegen er steeds meer ganzen over, in V-vorm en richting het zuiden, luid gakkend. Op zoek naar voedsel of warmere oorden. Ik las vanochtend in de krant dat ‘de man met lidnummer 1976 voorspelt dat de kans op een zestiende Elfstedentocht deze winter groot is. Hij ontleent zijn optimisme aan de cyclus van Easton, de theorie dat strenge winters ongeveer om de elf jaar voorkomen.’ Gakkende ganzen en een Elfstedentocht; ik word alsmaar vrolijker.
      Dan, plotseling, in the middle of nowhere, een grote winkel waar ze schotelantennes verkopen. In een hoge mast achter het pand hangen er een stuk of twintig. Binnen brandt licht en er staan wel dertien auto’s voor de deur! Ja, op dit soort momenten realiseer ik me: dít is het platteland.