Van 1987-1991 hebben we in het Duitse gehucht Kempen gewoond, zo’n vijftien kilometer ten zuidoosten van Roermond. Tim was ruim een half jaar oud toen we het oerdegelijke huis betrokken, Anoek zag een klein jaar later het licht. Ik besef steeds beter, nu ze op eigen benen staan, wat een belangrijke taak het leven ons – piepjonge ouders – had opgelegd: de opvoeding van deze twee dreumesen. Ik kijk met veel plezier terug op onze Kempener jaren, waarin we ze veel ruimte en groen – om ons heen niets dan weilanden – hebben kunnen geven. Kind aan huis waren ze bij de boer en zijn vee even verderop. En Hennie en ik, stadskinderen, genoten mee.

Tim & Anoek, Kempen, Duitsland, ca. 1990

Gisteren om 11.47 u. met trein en bus naar Buren (GD) afgereisd om in het Marechausseemuseum aldaar een reünie bij te wonen van de maten met wie ik in 1978 aan een militaire opleiding begon. Bijna veertig jaar geleden; oude koppen dus, maar barstensvol ervaringen, en lichamen met ouderdomskwaaltjes. En elk gesprek begin je weer waar je het de vorige keer hebt afgebroken. We zien elkaar om de vijf, zes jaar.

In de trein een klein (slechts 122 pagina’s tellend) maar fascinerend boek van Koos van Zomeren gelezen, Het leven heeft geen geheimen, uit 2004. Een roman over het schrijven van een roman. Een van de twee hoofdfiguren – de andere is de schrijver, Koos van Zomeren, zelf – is zijn stem verloren, kan niet meer praten. Op tweederde van het boek zegt Van Zomeren:

‘Wat ik heb onderschat: door iemand als romanfiguur van zijn stem te beroven, beroof je jezelf als schrijver van de dialoog. Dialogen zijn een probaat middel om in een verhaal meer dan één persoon tot leven te brengen, dialogen zijn ideaal om spanningen op te roepen, aan te scherpen of weg te moffelen. Zonder dialogen voer je het gevecht met één hand op je rug.’

Omdat er naast deze ongelijke strijd ook nog een plot moet worden uitgewerkt, grijpt Van Zomeren in en gaat met zichzelf in gesprek over zijn hoofdfiguur en mogelijke verhaalverwikkelingen. Een echt schrijversboek. Door een echte stilist. Ik heb ervan genoten.

Werd vanochtend wakker met een liedje van Cliff Richard in mijn hoofd: It’s so funny how we don’t talk anymore. Over je stem verliezen gesproken.

(Lastig indelen zo’n aantekening als dit; ik besluit om haar in plaats van één in drie categorieën onder te brengen.)

Ruim negen jaar geleden reisden Hennie en ik met mijn ouders door het zuidwesten van de VS. Het was stralend weer, de dollar stond laag en Bush junior bekleedde nog het presidentiële ambt. Ik was een kilo of zeven, acht zwaarder dan nu en stond vlak voor mijn uitzending naar Afghanistan. Ik bewaar hele goede herinneringen aan deze ontspannen rondreis. Hier zijn we in het ruige Bryce Canyon National Park in Utah.

Hennie & ik, Bryce Canyon National Park, Utah, 2008

Vier gitaren en een drumstel: If These Trees Could Talk komt uit Ohio, maakt instrumentale, af en toe tegen postmetal aan schurende postrock en bracht sinds 2006 vier albums uit. Hun ambitieuze laatste, The Bones of a Dying World, is uitgeroepen tot een van de beste postrock albums van 2016. Toch kies ik hier voor een oudje, het bekende Malabar Front van hun eerste EP, waar ik als een blok voor viel.