Ik wil een levend landschap. Herstel van biodiversiteit.

In Nederland houden we 900.000 eenden in megastallen. Zes tot zeven eenden per vierkante meter. ‘Deze eenden brengen hun leven door zonder ooit water te zien. Ze kunnen niet zwemmen, zich nauwelijks wassen en hun hele leven gaat voorbij zonder dat ze zelfs maar een keer kopje-onder gaan. Hun zwemvliezen blijven ongebruikt. Hun verenpak wordt vies, hun ogen raken vervuild en hun neusgaten verstopt.’

Hennie en ik eten steeds minder en uitsluitend nog biologisch vlees. Maar, en ik stel me deze vraag steeds vaker, waarom eet ik überhaupt nog vlees?

Lees wat in Mikhail Guermans Albert Marquet: The paradox of time (Parkstone/Aurota, 1995) en vraag me af waar sommige kunstcritici het toch vandaan halen! In een poging om Marquets meesterschap te typeren zegt Guerman het volgende:

‘Motifs drawn from real life always dominate in [Marquets] paintings. But austerity of selection, lyrical asceticism, the ability to accentuate the essential and to attain a peculiar sense of stability, not simply to arrest the moment (as the Impressionists did), but to endow it with a kind of permanence, even a sense of eternity – that Marquet did have on a par with the greatest achievements of the twentieth century.’

Hoe algemeen kun je het maken? Deze typering geldt voor veel impressionisten en post-impressionisten. Mij vallen bij het bestuderen van Marquets schilderijen, in vergelijking met Monet bijvoorbeeld, twee dingen op:

  1. De zeer losse penseelvoering, alsof Marquet zijn penselen steeds aan het uiterste puntje, zo ver mogelijk weg van de varkensharen, vasthield. Hij maakte ook, in tegenstelling tot veel andere schilders in zijn tijd, meer van ronde dan vlakke penselen gebruik.
  2. Een zekere mate van abstrahering; Marquet bracht weinig details aan, speelde met vlakken en omlijningen en gebruikte felle kleuren, wat zijn schilderijen meer dan eens een stripachtige uitstraling geeft.

Marquets sfeervolle doeken laten, meer dan die van Monet, plenty ruimte voor de verbeelding van de kijker.

Ik heb duizenden boeken gelezen, maar niet eentje van Proust. Wat volgens sommigen een doodzonde is. Niet dat ik niet wilde, maar het is er simpelweg nooit van gekomen. In mijn boekenkast staan wel boeken waarin Proust figureert, waaronder Alain de Bottons How Proust Can Change Your Life, wat ik een alleraardigst werkje vind.

Maar De Botton kent Proust alleen uit boeken terwijl André Gide bij de ziekelijke schrijver op bezoek ging. En verslagen uit eerste hand hebben een meerwaarde. In Gides dagboek uit 1921, opgenomen in Het innerlijk blauw, wordt Proust als volgt beschreven: ‘Hij zegt dat hij soms uren achtereen zijn hoofd niet kan bewegen; hij blijft de hele dag in bed, soms dagen achter elkaar. Nu en dan strijkt hij met de zijkant van zijn hand, die dood lijkt, langs zijn neusvleugels, met vreemd stijve, gespreide vingers, en dat dwangmatige, stumperige gebaar, dat lijkt op dat van een dier of een waanzinnige, is allerakeligst om te zien.’

Fascinerend. Ik heb, geloof ik, in dit geval meer belangstelling voor de schrijver dan voor zijn werk.

Terwijl ik me tijdens de ochtendmeditatie concentreerde op de koelte van de lucht om me heen drong zich plotseling de gedachte op dat ik ‘nooit alleen’ ben en ook niet kan zijn. Nooit alleen. Wel zonder gezelschap maar niet zonder omgeving, zonder dingen om me heen. De wereld waarin ik me bevind kleeft als het ware aan me vast, kan ik niet van me afschudden, maakt deel uit van wat of wie ik ben. Beter andersom: ik behoor bij de wereld. Onverbrekelijk.

Vraag die nu rijst: behoor ik na mijn dood ook nog bij de wereld?

Lees een artikel over de burgeroorlog in Jemen en herken, uit mijn tijd in Afghanistan, het fenomeen ‘nobodies’: mensen die goud geld verdienen aan de heersende toestand van dood en verderf, parasieten:

‘Het constante geweld, de economische ineenstorting, de politieke chaos, de buitenlandse invloeden: er is zoveel mis, zegt [onafhankelijke journalist Mohammed Al-Qadhi]. En vergeet ook niet alle gewone Jemenieten, aan beide kanten van het front, die alleen maar oog hebben voor zichzelf.

Nobodies”, noemt Al-Qadhi ze. Mensen die voorheen niets voorstelden en nu ineens een militie leiden of een of andere politieke positie bekleden. “Ze krijgen veel geld toegespeeld, hebben ineens macht en status. Zij willen dat de oorlog voortduurt.”’

Eergisteren mijn bloed weer laten controleren. Hoewel het aantal witte bloedlichaampjes heel licht gestegen was, noemde de arts mijn toestand toch stabiel. Na elke controle heb ik enkele dagen nodig om tot rust te komen, drink wat extra glazen alcohol. Hoeveel reserve aan gezondheid heb ik nog? Dat zou ik wel eens willen weten. Benauwd gemoed.

Maar waar is het goed voor om dit allemaal op te schrijven?

Voor het eerst sinds langere tijd weer gemediteerd. Veel gedachten die rond mijn ego dansten.

Waarom ik boeken lees? To go elsewhere.

Stadswandeling van ruim zeven kilometer gemaakt, langs het Dokkumer lokaaltje, of wat daar nog van over is. Het Dokkumer lokaaltje was ooit een spoorlijn die van Leeuwarden via Dokkum naar Anjum liep. Nu zijn er hier en daar nog restanten van te zien, onder andere in de Leeuwardense wijk Westeinde, waar het baanlichaam tot wandelpad is verheven.

Vlak voor me vloog een scholekster op en ik riep hem na dat hij nog een stukje moest doorvliegen, richting weiland en wad; als scholekster wil je toch niet in de stad verblijven!

By the way: dit logboek geeft geen medische adviezen.

2A56CA89-FB90-495A-B7A4-298673BA02CD
Langs het Dokkumer lokaaltje, Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

Ik lees het bij Gerbrand Bakker en schrijf het op omdat ik het niet vergeten wil: Boudewijn Büch ligt begraven op Driehuis-Westerveld. Ik zoek “Driehuis-Westerveld” op: ‘Westerveld, gelegen aan de Duin en Kruidbergerweg in Driehuis, is een van de oudste particuliere begraafplaatsen in Nederland.’ Driehuis, vlakbij Velsen. Daar ga ik Büch dan nog eens opzoeken. Waarom ligt ie eigenlijk daar?

Begonnen in Het innerlijk blauw. Een keuze uit het dagboek 1918-1939 van de Fransman André Gide. Privé-domein nr. 259. Wie was Gide (1869-1951)? ‘Zonder enige twijfel een van de belangrijkste Europese schrijvers van zijn tijd,’ lees ik op de achterflap, ‘maar ook een vat vol tegenstrijdigheden. Schrijver van de eerste moderne roman van de vorige eeuw (Les Faux-Monnayeurs), zorgvuldig stilist, oprichter van de Nouvelle Revue Française, homoseksueel die zich het hoofd brak over geloofskwesties, moralist en reiziger.’

Ik kende Gide niet, totdat ik enkele weken geleden een citaat uit een van zijn dagboeken tegenkwam, over kunst, waarna ik direct Het innerlijk blauw aanschafte (2e-hands, € 24 exclusief verzendkosten). Het citaat, uit 1918, in het Engels:

‘All great works of art are rather difficult to access. The reader who thinks them easy has failed to penetrate to the heart of the work. That mysterious heart has no need of obscurity to defend it against an overbold approach; clarity does this well enough. Very great clarity, as it often happens for the most beautiful works… is, to defend a work, the most specious girdle; you come to doubt whether there is any secret there; it seems that you touch the depths at once. But ten years later you return to it and enter still more deeply.’

Wat een pil: 662 bladzijden, bijna 6 cm dik. Benieuwd of Gide mijn aandacht weet vast te houden.