Ik droom wat af de laatste tijd. Wat een goed teken schijnt te zijn: als je een droom kunt onthouden kom je uit de o zo noodzakelijke remslaap. Vannacht twee: over een huisspin en een seksfeestje dat tot onze opluchting niet doorging.

Hennie’s oudvader, Johannes Jelles Brandsma, trouwde tweemaal, eerst met Trijntje Keimpes de Vries in 1801 en daarna met Marijke Ietses Tamminga in 1816. Omdat ik uit andermans stamboom 1840 als Trijntjes sterfjaar had overgenomen, heb ik lange tijd gedacht dat Johannes na twaalf of dertien jaar huwelijk van haar gescheiden was. Vanochtend ontdekte ik echter dat Trijntje ten tijde van het huwelijk van haar dochter Jeltje in 1827 al niet meer leefde. Johannes en Trijntje kregen samen minstens vier kinderen, van wie de laatste in 1808. Trijntje moet dus tussen 1808 en 1827 gestorven zijn. Omdat scheiden in die tijd uiterst lastig was, lijkt een vroegtijdig einde aan hun huwelijk door een onverwachte dood van Trijntje me nu aannemelijker.
     Opnieuw is me duidelijk geworden dat er bij het samenstellen van stambomen fouten worden gemaakt. Alles wat je overneemt van anderen moet je toetsen, elk feit dat je presenteert dient met bewijzen, liefst officiële documenten, gestaafd te zijn.
      Johannes kwam in 1781 als zoon van Jelle Broers en Hiltje Johannes te Stiens ter wereld en stierf in 1838, bijna zevenenvijftig jaar oud, in Ljouwert. Met zijn tweede vrouw, Marijke, kreeg potente Johannes nog vijf kinderen. Als werkman, arbeider en winkelier heeft hij blijkbaar het kostje voor het grote gezin steeds bijeen weten te scharrelen. Het zal niet altijd eenvoudig zijn geweest.
      Hieronder een foto van het document uit 1811 waarin Johannes de naam Brandsma (geschreven Brantsma) aanneemt.

868DEAC8-054B-4E1F-9720-97166E6107DE

Ontwaakt uit een droom, waarin ik in een voortrazende trein wanhopig op zoek was naar een deel van mijn bagage, en besloten om tien jaar bloggen met een bundeling te bekronen: Logboek 2008-2017: Een keuze uit de blogberichten o.i.d.

Wandelschoenen aangetrokken en naar Zandbulten gereden, een plukje huizen tussen Leeuwarden en Groningen in. Als ik tegen half tien aankom schijnt de zon en is het bijna windstil, recht boven me cirkelt een buizerd. Ik bevind me in een coulisselandschap, kuier langs weilanden en houtwallen; geen mens te zien. Wel veel gekwetter van veel vogels. Het is hier zoveel beter toeven dan in een grote stad! Na een klein uur verdwijnt plotsklaps de zon, daalt de temperatuur en komt er mist opzetten; het lijkt wel alsof ik naar de vroege ochtend teruggeworpen word. Om warm te blijven verhoog ik mijn tempo. Als ik het charmante streekdorp Veenklooster nader begint het zelfs lichtjes te regenen.

Na een kop erwtensoep en een warm bad poëziepassages herlezen uit Hugo Brems’ Altijd weer vogels die nesten beginnen; W. en ik zijn op zoek naar wortels van een onvervalste vorm van lyriek die wij op dit ogenblik menen te zien opbloeien.
     Redactie tijdschrift De Tijdstroom in 1930: ‘Wij aanvaarden dat kunst de kristallisering van het leven van de kunstenaar is, en dat haar graad van schoonheid wordt bepaald door de hevigheid van het beleven en de mogelijkheid deze bewogenheid te verstoffelijken in de enige passende vorm.’

3C13115B-D2F5-4DF3-87A5-84436D43D377
Veenklooster, 2017 © Ton van ‘t Hof

Begin jaren 70 was de kerkuil zo goed als uitgestorven in Nederland. Met behulp van een landelijk plan en kerkuilwerkgroepen kwam deze muizenjager er weer bovenop. Alleen al in Friesland, lees ik in de LC, broeden vandaag de dag drie- tot vijfhonderd paartjes. Het venijn zit echter in de staart van het artikel. Nieuwe gevaren dreigen. Zo sterven kerkuilen vooral onder auto’s en neemt de noodzakelijke medewerking van boeren de laatste jaren af. ‘Zeker, het gaat de kerkuil goed, maar zonder bemoeienis van de mens gaat het niet.’
     De overleving van deze diersoort is een menselijke aangelegenheid geworden. De mens wikt niet alleen maar beschikt vandaag de dag ook. Overbevolking en hebzucht hebben ons in een Goddelijke positie gemanoeuvreerd en een grote verantwoordelijkheid op ons geladen. Helaas gaan we meestal onze kleingeestelijke goddelijke gang en trekken ons helemaal niets van onze leefomgeving aan. Waar halen we in godsnaam deze arrogantie vandaan? Zielsbedroefd word ik ervan.
      De overlevingskansen van onze weidevogels hebben intussen hun minimum bereikt. Het politieke geklungel inzake het ‘herstelprogramma’ is schrijnend. Ik krijg zo langzamerhand het idee dat alleen een volksoproer de bestuurders weer in het gareel brengen kan. Het lot van de grutto zou weleens van de publieke opinie kunnen afhangen; ten strijde!

‘Door veranderingen in de landbouw zijn veel broedvogels van het agrarische gebied in Nederland achteruitgegaan. Deze ontwikkeling doet zich in de hele EU voor.’

Compendium voor de Leefomgeving, d.d. 23-11-2017

Oudgrootvader, ik had er nog nooit van gehoord. Maar Jelle Broers Brandsma is Hennie’s oudgrootvader. Er zitten zes generaties tussen hen in. Hij werd omstreeks 1753 geboren in Finkum, Feinsum in het Fries, een gehucht dat tien kilometer ten noorden van Leeuwarden ligt. Soms fietsen we er langs of doorheen. Een kerk en nog geen vijftig huizen. Vroeger woonden hier monniken en een rijke familie, die veel grond bezaten. En er stond een state, waar knechten werkten. Wie weet Jelle Broers wel. Ik heb drie beroepen van hem kunnen achterhalen: koemelker, arbeider en gaardenier.
     Zou er over twee- of driehonderd jaar ook iemand in míjn verleden wroeten? Als de wroeter dan nog toegang zou hebben tot mijn WordPress- of Facebookberichten, dan zou hij of zij weten hoe ik er anno 2017 uit zag en wat ik toen zoal deed en dacht! Van Jelle Broers is nauwelijks meer iets bekend. Enkele feitjes nog: dat hij in 1780 met Hiltje Johannes trouwde, en met haar een zootje kinderen kreeg, om vervolgens in 1826, op 73-jarige leeftijd te sterven, in Stiens, niet ver vanwaar hij geboren werd. O ja, hij en zijn kinderen en kleinkinderen namen in 1811, toen het dragen van een familienaam verplicht werd, de naam Brandsma aan, ook wel Brantsma geschreven. Helaas geen woord over het hoe en waarom.

Vanmiddag is Jeroen van den Heuvel langs geweest. Aangenaam gesprek over Ooteoote o.a. en het uitgeven van poëzie.

Korenvelden bij Finkum, Dirk Beintema, 2014, 70 x 80 cm, olieverf op doek

Om 06.00 u. sta ik op. De houtzagerij naast me is dan al enige tijd in bedrijf. Ik heb enkele uren liggen woelen, verhaallijnen voor dit logboek bedacht. Tussendoor ben ik nog minstens eenmaal in slaap gevallen, want ik herinner me een droom waarin Lien, een van onze poezen, van grote hoogte naar beneden viel. Ik vond haar op een of andere trap terug, half kaal en bebloed.

Een van de verhaallijnen betreft een verzameling waarvan mijn vader en moeder aan het hoofd staan: de familie Van ‘t Hof/Leupen. Ik heb twee zussen en we zijn alle drie getrouwd. Samen hebben we zeven kinderen, van wie er momenteel vier hokken. Een van hen, het oudste kleinkind van mijn ouders, heeft inmiddels zelf ook alweer drie kids. Zo bestaat de verzameling Van ‘t Hof/Leupen momenteel, inclusief partners, uit 22 elementen. Zowel de bestudering van het onderlinge verband als elk element afzonderlijk kan mooie verhalen opleveren; deze verzameling is voor mij als schrijver een goudmijn.
     Mijn zoon Tim, die volgende maand 31 wordt, klessebeste gisteren met zijn licht dementerende oma. Naast hem zat zijn iets oudere neef Marco, met wie hij het goed kan vinden. Plotseling boog oma zich voorover en vroeg: ‘Kennen jullie elkaar?’ Mijn moeder vat nog wel de verticale banden binnen onze familie, maar heeft steeds meer moeite met de horizontale.

Buiten is het koud en nat. Toch even de metropolis Frisiae in, voor een frisse neus en boodschappen; vanavond wordt het een stoofpotje van varkensvlees en malse veldertjes.

Oliver Sacks in De rivier van het bewustzijn: ‘Het is een schokkende gedachte dat een deel van onze meest gekoesterde herinneringen nooit hebben plaatsgevonden, of dat ze iemand anders zijn overkomen.’

Emmakade, Leeuwarden, 2017 © Ton van ‘t Hof