In Go East (Ambo|Anthos, 2015) doet filosofe Stine Jensen verslag van een reis door de wereld van yoga, mindfulness en spiritualiteit. Ze is, na een gestrand huwelijk, op zoek naar verlichting en hoopt dat Oosterse praktijken haar dat kunnen geven.

Ze schrijft gemakkelijk en haar zelfspot maakt me regelmatig aan het lachen.

Opmerkelijk voor een Westerse filosofe: al na enkele yogalessen weet ze haar scepsis te beteugelen en ervaart opluchting: ‘de realiteit was dat ik gelukkiger was nu ik niet langer alles in twijfel trok.’

Tien bladzijden later grijp ik naar de fles en schenk me een glas rode wijn in: ‘We hebben als persoon,’ zegt Jensen, ‘een min of meer coherent verhaal nodig over wie we zijn om te kunnen functioneren in de wereld.’

Míjn ‘min of meer’ samenhangende relaas is dit: ik heb me nooit militair, dichter of beeldend kunstenaar gevoeld, niet durven kiezen, het leven halfslachtig afgeraffeld.

Ik moet gauw van deze treurzang af.

Hoppa! Geef me de Bordeaux nog eens aan!

Op zoek naar verbanden tussen tao (‘de weg’) en het heideggeriaanse gedachtegoed kwam ik online de volgende, naar het Engels vertaalde tekst van Heidegger tegen:

‘Thinking itself is a way. We respond to the way only by remaining underway … We must get on the way, that is, must take the steps by which alone the way becomes a way. The way of thinking cannot be traced from somewhere to somewhere like a well-worn rut, nor does it at all exist as such in any place. Only when we walk it, and in no other fashion, only, that is, by thoughtful questioning, are we on the move on the way. This movement is what allows the way to come forward.’

Waarom raken deze regels me? Omdat ze, geloof ik, een opening vormen naar ongekend gebied waar je eindeloos kunt dwalen. Zoals het leven, zo houd ik me voor, misschien wel ooit bedoeld geweest is.