Over de zorg voor zichzelf (4)

De derde en laatste tekst betreft een vraaggesprek met Foucault:

Is ethiek dat wat in het onderzoeken van zichzelf, in de zorg voor zichzelf, verwezenlijkt wordt?

[…] Ik geloof dat men zich bij de Grieken en de Romeinen – vooral bij de Grieken – met zichzelf bezig moest houden om zich goed te gedragen en de vrijheid naar behoren in praktijk te brengen. Men moest voor zichzelf zorg dragen, zowel om zichzelf te leren kennen – de meest gangbare interpretatie van het gnothi sauton (ken jezelf) – als om zichzelf vorm te geven, boven zichzelf uit te stijgen en de lusten te beheersen die je dreigen mee te slepen. […] Gedurende acht grote eeuwen van de Oudheid is de zorg om de vrijheid een wezenlijk en voortdurend probleem geweest. Men vindt er een hele ethiek die om de zorg voor zichzelf draait, en die verleent de klassieke ethiek haar bijzondere karakter. Ik zeg niet dat die ethiek neerkomt op zorg voor zichzelf, maar dat ethiek in de Oudheid als weldoordachte vrijheidspraktijk om dit fundamentele gebod draaide: “draag zorg voor jezelf”.

Een gebod dat het zich eigen maken van Logoi, waarheden, impliceert?

Uiteraard. Men kan geen zorg voor zichzelf dragen zonder kennis. Zorg voor zichzelf bestaat natuurlijk uit zelfkennis – dit is het socratisch-platoonse aspect –, maar het houdt ook kennis in van een aantal gedragsregels of principes die tegelijkertijd waarheden en voorschriften zijn. Zorg voor zichzelf dragen betekent zich met deze waarheden toerusten: op dit punt is ethiek met het waarheidsspel verbonden.’

Zorgdragen voor jezelf omvat dus ook: het ontwerpen van een eigen levensstijl en een eigen moraal, als grondslagen voor een eigen manier van zijn en een eigen manier van handelen.

’Vrij zijn betekent dat men geen slaaf is van zichzelf en van zijn lusten, wat impliceert dat men jegens zichzelf een bepaalde verhouding van beheersing of heerschappij instelt.’

Over de zorg voor zichzelf deel 1, deel 2 & deel 3.

Over de zorg voor zichzelf (3)

‘Wat ben ik?’ is een objectiverende vraag, waarin ‘ik’ objectief – zich bepalend tot de feiten, niet beïnvloed door eigen gevoel of door vooroordelen – wordt voorgesteld of beschouwd.

‘Objectiveren’ heeft in het Nederlands geen antoniem.

In de vraag ‘Wie ben ik?’ wordt ‘ik’ subjectief – betrekking hebbend op, uitgaand van de persoonlijke zienswijze of smaak – voorgesteld of beschouwd.

De staat is geïnteresseerd in wat, niet wie, je bent. Omdat je staatsburger bent. Omdat je belastingplichtige bent. Omdat je verkeersregels kan overtreden. Et cetera.

De meeste individuen zijn geïnteresseerd in wie zij zijn; de vraag naar wat je bent zul je niet zo snel aan jezelf stellen. Toch kan die vraag bijdragen aan zelfinzicht. Hij dwingt je om van buitenaf naar jezelf te kijken, naar wat eigen aan je is als een persoon die beschouwd of behandeld wordt als een object.

Zo ben ik, onder andere, een gewezen militair die met functioneel leeftijdsontslag is en als zodanig nog enkele jaren aanspraak heeft op een uitkering.

Dit antwoord leidt tot nieuwe vragen: Ben ik momenteel, in de huidige situatie, nog van nut voor de staat? Of voor de gemeenschap? Zijn staat en gemeenschap hier synoniem aan elkaar?

Ik ben en blijf een denkend wezen.

(Aantekeningen naar aanleiding van de tweede tekst, Individualisering door politieke technologieën, in Breekbare vrijheid: De politieke ethiek van de zorg voor zichzelf, Michel Foucault, Boom/Parrèsia, ed. 1998.)

Over de zorg voor zichzelf deel 1 & deel 2.

Over de zorg voor zichzelf (2)

In de eerste tekst, Zelftechnieken, beschrijft Foucault methoden die mensen in de oudheid gebruikten om inzicht in zichzelf te verwerven. Het schrijven van brieven aan vrienden over zichzelf – de dagelijkse gedragingen en stemmingen – is daar een voorbeeld van. Het zou de ervaring van zichzelf verrijken.

Een andere methode is de askèsis, die oefeningen omvat waarbij de beoefenaar zich in gedachten of daadwerkelijk in een situatie verplaatst, ‘waarin het kan nagaan of het tegen de gebeurtenissen is opgewassen.’ Seksuele onthouding en fysieke ontbering zijn in dit verband exempels van praktijkoefeningen.

Ook droomduiding werd als zelftechniek aangewend. In de klassieke oudheid kende men aan dromen voorspellende vermogens toe. In handboeken werd beschreven hoe je je eigen dromen verklaren kon. Foucault gaat niet dieper op deze methodiek in. Nu wil het toeval dat ik vanochtend uit een droom ontwaakte die ik me nog goed herinner:

Ik bevind mij in een lange gang op de vierde of vijfde verdieping van een statig gebouw met dikke muren en eikenhouten vloeren, dat doet denken aan een victoriaans landhuis. Voor me lopen een vrouw en enkele kinderen. Omdat de kinderen overal aan mogen zitten vordert het gezelschap maar langzaam. En ik heb haast. Terwijl ik me erlangs wurm kijk ik de geduldige vrouw recht in haar gezicht en zie dat ze van Javaanse afkomst is. Omdat er mensen voor de lift staan te wachten neem ik de trap en wentel mezelf in een razende vaart naar beneden. Op de eerste verdieping eindigt de trap abrupt bij de bovenste zitplaatsen van een tribune die zicht geeft op een enorme hal. Ik tuimel nog net niet tussen de toeschouwers.

Huh?

Over de zorg voor zichzelf deel 1