Dit is een roman.

(Wat ik alleen in een roman zeggen kan.)

De roman is een van de grote uitvindingen van de Europese beschaving.

Ik ben nog een kind van de roman.

Ik had nog alle tijd.

Tussen Herkingen en Battenoord in spijkerjas de dijk op gehold, op zoek naar flamingo’s. Het regende lichtjes. Op honderd meter zag ik veertig stuks, lichtroze en wadend. Ik wenkte Hennie, die in de auto was blijven zitten. Toen ze halverwege de dijk was openden de sluizen van de hemel zich, volledig.

Via Dreischor en Brouwershaven terug naar Ouddorp gereden, waar we de middagmaaltijd gebruikten en het opklaarde. Bij windkracht zes nog een strandwandeling gemaakt. We waren de koning te rijk. Op zee kite- en windsurfers, bij bosjes.

Daarna languit, podcasts (De kamer van Klok, De Nieuwe Contrabas) & witte wijn.

Ouddorp, 2021 © Ton van ’t Hof

Slikken van Flakkee: prachtnaam voor een prachtgebied, waarin we in het gezelschap van vogels en runderen enkele toffe uurtjes doorbrachten. 

Later, op het bloedjehete terras aan de haven van Middelharnis, gebruikten we garnalenkroketjes en stoofvlees met frieten, geflankeerd door een paar ijskoude biertjes uit België.

Na terugkeer werden de ogen in de namiddagzon toch nog eventjes gesloten.

Ook Het geluk van de wolf is een variatie op Cognetti’s huisthema – man zoekt zijn heil in de bergen – dat de Italiaan andermaal onweerstaanbaar heeft uitgewerkt, althans voor mij. Vijf sterren, als aficionado.

Begonnen in iets heel anders: Creative Intuition in Art and Poetry van Jacques Maritain, dat in 1953 werd uitgegeven en George Oppens poëtica beslissend beïnvloedde.

‘Poetry is the secret life of each and all of the arts.’

Slikken van Flakkee, 2021 © Ton van ’t Hof

Vanochtend in de Kwade Hoek rondgebanjerd, die aan het verkleuren is. Het karmozijnrode zeekraal was oogstrelend.

In de verte schoorstenen, kranen en mammoetschepen van de oplevende Maasvlakte. Lelijk zeg, zeiden we, wat betekenis gaf aan wat we zagen.

Op de terugweg nog een stop gemaakt in Goedereede en bij een autowasserette.

De altmodische maar smakelijke lunch op het terras van Hotel Akershoek spoelden we weg met Liefmans en Brugse Zottekes van het vat.

Bij het tweede glas begon het te waaien en te regenen. We schoven ons tafeltje geheel onder de parasol. Mooi zo, zeiden we.

Kwade Hoek, 2021 © Ton van ’t Hof

Ouddorp. Oudste dorp op Goeree-Overflakkee. Neergestreken aan de Westduinweg, gisteren.

We zitten in een omgebouwde oude stal, waarachter een tuin van honderd meter diep. Halverwege, achter enkele schurvelingen, het gezoem van zeven bijenvolken.

Zacht weer vandaag. We hebben gewandeld, gefietst en biertjes gedronken.

Ter verdere relaxatie: Het geluk van de wolf van Paolo Cognetti.

Relaxatie: ‘(1) ontspanning; (2) vertraagde reactie, waardoor langzamerhand een nieuw evenwicht ontstaat’.

Vuurtoren Westhoofd, 2021 © Ton van ’t Hof

Een machine die blogberichten schrijft in ‘zijn eigen taal’, koeterwaals voor ons. We kunnen het lezen, zien op het blog 8]q2lp*df!un86>, waarop sinds 2008 al meer dan vierduizend onverstaanbare berichten zijn verschenen.

Kunst? De meeste mensen zullen deze vraag met schouderophalen beantwoorden. Kunstig lijkt me het stukje software dat achter dit werk zit wel. Met welke bedoeling heeft de maker zijn maaksel in het leven geroepen? Aanwijzingen worden niet gegeven.

Het ding is er en functioneert, groeit, bestaat voort. Zonder verdere tussenkomst van zijn bedenker, die zichzelf op afstand heeft gezet. De stroom van blogberichten is voor lezers inhoudelijk oninteressant. Alle creativiteit is in het idee gestopt, dat aan het mechanisme ten grondslag ligt.

Je zou 8]q2lp*df!un86> een conceptueel kunstwerk of conceptueel gedicht kunnen noemen.

Maar voor wie vervaardigd? Het lijkt niet naar publiek te talen, zal hoogst zelden als zoekresultaat opduiken, wil kennelijk onvindbaar zijn.

Dit is een kunststukje dat volkomen in zichzelf gekeerd is.

Wat is het belang van aandacht? Volgens filosoof Hans Schnitzler laat ‘zuivere aandacht ons denken en voelen’. Door aandacht te schenken aan onszelf en anderen kunnen we onszelf en anderen indenken en invoelen. Aandacht als medicijn tegen onverschilligheid en egoïsme.

Maar de ‘Homo digitalis mobilis wordt, met behulp van notificaties, alerts en pushberichten, voortdurend verleid om van het “hier en nu” naar een diffuus “overal en nergens” te verkassen. Daarmee raakt zijn aandachtsvermogen ontwricht.’

Rae Armantrout schreef een gedicht over de huidige ontaarding van aandacht, ‘The Steps’, dat in The New York Review of Books werd gepubliceerd.

DE DANS

1.

Ik doe een stapje achteruit
en het voelt als dansen.

Maar wat zou dat betekenen
'terug naar je roots'?

Is dat wat bloemen doen
in september?

2.

Kinderen verdienen geld
en liefde
door zichzelf te zijn
op YouTube.

'Het werkt alleen
als het authentiek is.'

Was het beter
toen passies
nog objecten hadden –

zoals verre oorlogen
of tulpen?

Nu hebben we aandacht
voor aandacht.

Doe een stapje achteruit
en het voelt als dansen.

Wat zou dat betekenen
voor aandacht: leeg te zijn

als een frase
die te vaak herhaald is?

Leeg, noemt Rae Armantrout de aandacht die niet langer bewust en gericht is. En doe, zegt ze in bovenstaand gedicht, om aandachtsverschraling tegen te gaan een stapje achteruit; je zult je er prettig bij voelen.

Nog een gedicht van de boeddhistische monnik Stonehouse, waarin hij vertelt dat hij elke dag plukt, niet denkt aan morgen:

Het leven is van korte duur
dus waarom zou je in cirkeltjes ronddraaien
als er niets meer in huis is ga ik op zoek naar bataten
als mijn pij moet worden opgelapt overweeg ik lotusbladeren
ik heb de elandenstaart neergelegd en ben gestopt met preken
en in mijn verstofte soetra's zit de papiermot
ik heb te doen met eenieder die een monnikspij draagt
en druk is met zijn doelen en verknochtheden

Als teken van autoriteit bezat een abt in China soms een elandenstaart. Stonehouse vervulde enkele jaren de functie van abt.

De boeddhistische monnik Stonehouse (1272-1352) leefde ruim veertig jaar in afzondering in de bergen ten zuidwesten van Shanghai. ‘Stonehouse’ is een pseudoniem, zijn echte naam weten we niet. Tijdens zijn kluizenaarsbestaan schreef hij meer dan honderdtachtig gedichten, die eind vorige eeuw voor het eerst naar het Engels werden vertaald. In 2014 herzag vertaler Bill Porter, alias Red Pine, zijn eerdere bewerkingen: The Mountain Poems of Stonehouse. Een gedicht uit de bundel:

Een monnik alleen zit stil en ontspannen
hij leeft het hele jaar van wat karma brengt
bamboe en gele bloemen vereenvoudigen zijn gedachten
zijn leven is zo simpel als een wolkje of een beek
hij houdt een rots niet voor een tijger op een heuvel
of de reflectie van een boog voor een slang in zijn kom
in het bos vergeet hij wereldse zaken
volgt bij zonsondergang de terugvliegende kraaien

De vroeggestorven Frank O’Hara (1926-1966) schreef ‘Een warme dag voor december’ op 5 december 1960. Dit gedicht werd gevonden in O’Hara’s nalatenschap en voor het eerst gepubliceerd in zijn Collected, 1971:

EEN WARME DAG VOOR DECEMBER

57th Street
straat van plezier
ik ben een microkosmos in jouw macrokosmos
en dan weer een macrokosmos in jouw microkosmos
een waterstofbom die te klein is
om een oog te laten tranen
en toch wandel ik door
langs de imponerende etalages van Tiffany
met zijn diamanten clips voor papieren zakjes
straat der dromen artistieke
Sidney Janis en Betty Parsons
en Knoedler is zo Teutoons vol
dat je me niet opmerkt
behalve dat ik te kijk loop met mijn nieuwe kapsel
en meer Brâncuși lijk dan gewoonlijk
dus ga ik een telefooncel binnen op een hoek
net een ruimteschip
ik hou van de mensen die luidruchtig passeren
voorbijschieten
'Ik hou van jou'
'Ik hou ook van jou'
dan open ik de deur de geluiden overdonderen me de mensen
maar ik ben in de buitenlucht
nog altijd volg ik 57th
ontmoet Roy en Bill ik drink vermout
we praten over de verstrooiingen van New York
je bent er bijna
57th Street

Dit vers doet verslag van een wandeling door een drukke straat van Manhattan, 57th Street, die bekend staat om zijn kunstgalerijen, restaurants en chique winkels. Dichten was voor O’Hara het neerleggen van wat hem te beurt viel: ‘What is happening to me […] goes into my poems.’

En dat het inderdaad een warme dag was voor de tijd van het jaar wordt door Weather Underground, een weersite die ook historische gegevens verstrekt, bevestigd. Gewoonlijk bedraagt de temperatuur in New York begin december rond de 9°C, op 5 december 1960 liep het kwik echter op tot ruim 17°C.

Sidney Janis en Betty Parsons waren kunsthandelaars en Knoedler was een kunsthandel die in 1960 kunstgalerieën aan 57th Street hadden, niet ver van het beroemde juweliersbedrijf Tiffany’s, dat al sinds 1837 in Manhattan huist. O’Hara werkte in 1960 als assistent-curator in het Museum of Modern Art (MoMa) en was kind aan huis bij deze kunstgalerieën.

Visueel doet ‘Een warme dag voor december’ me denken aan een langgerekte straat en ritmisch aan het rumoer van overvolle trottoirs.

Maar de praktijk van de stadswandeling draaide voor O’Hara niet alleen om het kijken naar wat er zich zoal voltrekt maar evenzeer om het bekeken worden: ‘ik ben een microkosmos in jouw macrokosmos / en dan weer een macrokosmos in jouw microkosmos’. O’Hara flaneerde graag, wilde zien en gezien worden. Zo heeft hij in dit gedicht een kapsel waarmee hij wil opvallen – de Roemeen Constantin Brâncuși (1876-1957) wordt wel de vader van de moderne beeldhouwkunst genoemd – en let hij op of hij de aandacht van anderen ook daadwerkelijk weet te trekken.

De populaire O’Hara was zich voortdurend bewust van zichzelf en verstond de kunst om zich naar believen aan de menigte te onttrekken, erin op te gaan of juist op te vallen. Met dit heen en weer bewegen tussen zijlijn en middelpunt gaf hij kleur aan zichzelf, zowel op papier als in het echt.

Op 22 november 1963 werd president John F. Kennedy in Dallas, Texas, door Lee Harvey Oswald doodgeschoten. Oswald haalde driemaal de trekker over – ‘bang, snap, crack’. Deze moord greep mensen over de hele wereld aan, sommigen werden gek van verdriet. De Amerikaanse dichter Jack Spicer (1925-1965) schreef er een kort titelloos gedicht over, dat eerst in Language (1965) en later in My Vocabulary Did This to Me: The Collected Poetry of Jack Spicer (2008) werd opgenomen.

Rooksignalen
Zoals in de Eskimodorpen aan de kust waar de aardbeving plaatsvond
Knal, knak, krak. Ze zullen nooit weten wat hen trof
Op de kust van Alaska. Ze verwachten dat iedereen krankzinnig zal zijn.
Dit is een gedicht over de dood van John F. Kennedy.

Ik heb dit gedicht altijd louter gelezen als een gedicht over de dood van Kennedy, die ongetwijfeld ook Eskimo’s in Alaska niet onberoerd heeft gelaten. Totdat iemand me op The Great Alaskan Earthquake wees, die op 27 maart 1964, enkele maanden na de moord op Kennedy, verwoestend toesloeg in het zuiden van Alaska. Het was met een kracht van 9,2 op de schaal van Richter de op één na zwaarste aardbeving ooit gemeten. Aan de kust werden enkele Eskimodorpen weggevaagd door de tsunami’s die erachteraan kwamen.

De ‘aardbeving’ in Spicers gedicht kan dus niet alleen figuurlijk maar ook letterlijk gelezen worden. Spicer schreef het vers nadat het noodlot zo plotseling in Alaska had toegeslagen. Niemand die de aardbeving had zien aankomen. De rook had geen dreigingssignaal afgegeven. De paniek na de ‘knal, knak, krak’ moet groot zijn geweest, evenals het verdriet dat daar weer op volgde. Deze abrupte lotswending heeft Spicer vast doen denken aan de onverwachtse dood van John F. Kennedy, enkele maanden daarvoor. En dat pende hij neer. Waarna hij het gedicht bruusk liet eindigen.

In 1984 overleed George Oppen op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van alzheimer. Zijn laatste bundel was in 1978 verschenen. Hij liet tientallen ongepubliceerde gedichten na, al dan niet voltooid. Boven zijn bureau hingen kladjes met invallen en aanzetten tot verzen.

Eén van Oppens kladjes verwijst direct naar de ziekte van Alzheimer, die zich o.a. kenmerkt door geheugenverlies, spraak- en taalproblemen en desoriëntatie.

Ik merk dat ik alles vergeet
waarover gesproken wordt
en de getallen (d.w.z.
hoe je ze vormt
--------------------
ook de getallen

Oppen was een nadenkend mens, zijn hersens zijn belangrijkste wapen. Het vooruitzicht van de verdere aftakeling van zijn verstandelijke vermogens moet hem angst hebben ingeboezemd, veel verdriet hebben bezorgd, dat in de afsluitende regel doorklinkt in het woordje ‘ook’. Hetzelfde verdriet dat ik in de ogen van mijn eigen moeder heb zien staan.