Haarscherp

Hennie en ik wonen links van de ‘Drooglijn’, leerde ik vanochtend, waar het water, de zee, in steeds hogere mate de agenda zal gaan bepalen. Ons huis staat nu nog op een terp, straks eiland.

Schrijvers zijn exhibitionisten, beweert Thomas Rosenboom.

Op deze grijze ochtend hing ik een televisietoestel op in onze slaapkamer en sloot haar aan: haarscherp beeld.

Schrijvers menen dingen te zien of te weten, die anderen niet zien of weten, zegt Thomas Rosenboom.

Op een gezinskaart kwam ik het adres tegen waar mijn grootouders van vaderskant in 1931 naartoe verhuisden: de Lange Bisschopstraat te Deventer. Ook het beroep van mijn grootvader in die jaren wordt vermeld: kantoorbediende, volgens overlevering bij een schoenenzaak. Eindelijk heb ik het adres gevonden waar mijn vader in 1933 het levenslicht zag. Hieronder een foto van de Lange Bisschopstraat, eerste helft twintigste eeuw.

Bevrijding

Gisteravond bevrijdde ik een spin met zeer lange poten uit een benarde positie door hem of haar over mijn hand omhoog te laten lopen. Nog geen uur later hing het diertje al weer loerend in een nieuw web.

Wat een plensbuien vannacht!

Een oudere broer van mijn overgrootvader Wilhelmus van ’t Hof stapte tweemaal in het huwelijksbootje. Met beide echtgenotes kreeg hij kinderen. Tussen het overlijden van zijn eerste echtgenote en het huwelijk met zijn tweede echtgenote zaten 81 dagen. Het eerste kind dat hij met zijn tweede echtgenote kreeg werd ruim acht maanden na hun huwelijk geboren. Adrianus Poulus, zo heette de oudere broer van mijn overgrootvader, had geen gras over dingen laten groeien.

Duidelijke taal spreken en kort van stof zijn. Dat hield ik, gek genoeg, aan Tomasso d’Aquino over.

Deze ruimte, dit uiterste randje land, ver weg van stadsgewoel.

Nes, 2020 © Ton van ’t Hof

De Kleine Berg

Een oudere zus van mijn overgrootvader Wilhelmus van ’t Hof stierf, ruim een jaar getrouwd, op haar 29ste. Aan complicaties tijdens een zwangerschap, dacht ik op de gis.

Hun vader woonde in de eerste helft van de negentiende eeuw in een huis aan de Kleine Berg, hartje Eindhoven. Een straat die nog altijd bestaat. Online kwam ik een foto van de Kleine Berg tegen, die begin twintigste eeuw is gemaakt.

Daarop is een man te zien, uiterst rechts, die een lange witte jas aan heeft en een trap vasthoudt. Het zou een huisschilder kunnen zijn. Wie weet is het mijn overgrootvader Wilhelmus wel, die als huisschilder de kost verdiende.

In de Kleine Berg staat een paard-en-wagen, die aan onderhoudslui lijkt toe te horen. Hoewel de kans miniem is dat de vrouw in zwarte rok en witte blouse verwant met mij is, stelde ik me dat toch voor.

En dat ze onlangs trouwde, net zwanger is en dolgelukkig. Ze wacht op iemand. Het warme middageten staat al op tafel.

Wie?

Mijn moeder, die eindelijk weer eens bij ons op bezoek was, zag een babyfoto van me en zei glunderend: ‘Ja, dat was het leukste beestje wat er was.’

Langzaam maar zeker kom ik achter de identiteit van mijn voorouders. Genealogisch onderzoek heeft iets weg van een whodunit.

Terwijl ik naar mijn betovergrootvader Daniel van ‘t Hof vorste, vond ik de ouders van zijn echtgenote Maria: Judocus van de Leur en Lamberta Toemen. Toen Judocus en Lamberta in 1820 trouwden, was hij linnenbleker van beroep en zij dienstmeid. Later zou Judocus nog het vak van, jawel, tapper uitoefenen en dat van bouwman.

Dit blog is ook een motor, methodiek, om te ontdekken wat ik bedoel, te zeggen heb, en op basis daarvan te handelen, vorm te geven aan mijn aanwezigheid / in de wereld.

Manifestatie

Ik moet het zo goed mogelijk verwoorden. Dat is mijn taak.

Nog voor zevenen vanochtend lag er al 1500 kg grind op me te wachten, die ik met groot gemak verplaatste.

Kapot was ik, naderhand.

Daarop: ‘Verkeersboete, beschikking. Door u te betalen: € 69,00.’

En ik wilde nog iets vastleggen over Augustinus, van Hippo. Dat hij zocht naar een methode om raadselachtige teksten te verklaren.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Gespleten

Hoe de wereld zich openbaart aan mijn bewustzijn en dat helder verwoorden.

Mijn mensbeeld? Gespleten.

Intuïtief tuinieren, noemde ze het. Ze had honderden tuinboeken gelezen, er enkele basisprincipes uit afgeleid – planten hebben grond, licht en water nodig – en alle andere, veelal tegenstrijdige adviezen overboord gegooid. Sindsdien tuinierde ze op gevoel, en veertig jaar ervaring.

Intuïtief tuinieren. Ik voel er wel voor. (Wat eigenlijk een pragmatische insteek is: ik kom als 61-jarig groentje namelijk nooit meer aan honderden tuinboeken toe.)

What about intuïtief schrijven? Bestrooid met eigentijds zout.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Nergens gedonder

‘Een groenling of een tjiftjaf,’ zei Albert gedecideerd. Ik had hem een foto gestuurd van enkele minuscule veertjes die Bo gisteren van de vogel had overgelaten.
‘Je moet haar een kattebelletje omdoen,’ voegde hij toe.
‘Maar,’ wierp ik op, ‘als het om muizen gaat is ze onmisbaar.’
‘Last van muizen? Hang een kerkuilenkast op!’ was Alberts oplossing. Wat ik eigenlijk best wel een goed idee vond.

Mijn jongste zus en zwager zijn op bezoek geweest. Ze waren ietsepietsje zwaarder geworden (hét coronakilootje) maar o zo relaxed.

De koele lucht gaf tijdens de middagwandeling extra kilometers zicht en extra heldere kleuren. En nergens gedonder, alleen wat gepor tussen halmen onderling.

Waaxens, 2020 © Ton van ’t Hof

Op gezette tijden

Er werd vannacht een vogel verorberd. Naast me. Toen ik vanochtend uit bed stapte lagen er nog wat veertjes op de grond.

‘Dichters moeten hun liefde voor iets zichtbaar maken,’ zei Charles Altieri.

Langs vergezichten gefietst, die in Noordoost-Friesland uit voorraad leverbaar zijn.

Dingen van niets, waarvan ik innig hou.

Op gezette tijden ga ik kijken.

Holwerd, 2020 © Ton van ’t Hof

Devotiekaarsjes, gezegend bier

Tot mijn verrassing ontdekte ik gisteren dat ik nóg een stel overgrootouders heb die een café hadden. Twee van mijn vier overgrootvaders – vijftig procent dus – waren kroegbaas. Het drankduiveltje zit in mijn genen.

Toen mijn grootmoeder van vaderszijde in 1899 werd geboren was haar vader, Lambertus Petrus Verstraaten, koster van de Sint-Catharinakerk in het gat Ledeacker, dat midden in de Peel ligt. Hij kwam zelf uit Sint Anthonis, een dorp ten zuiden van Ledeacker, en was zijn werkzame leven als landbouwer aangevangen.

Maar Lambertus was een smart cookie. Toen in Ledeacker de functie van koster vrijkwam aarzelde hij geen moment en solliciteerde: je verdiende als koster meer, werd minder moe en je bestaanszekerheid was groter. Vanuit deze optiek was het overigens ook slim dat mijn overgrootmoeder Anna Maria, indien gepland, maar twee kinderen baarde.

Terwijl mijn overgrootvader dagelijks voor kerkgebouw en kerkdienst zorgde, was mijn overgrootmoeder als winkelierster aan de slag gegaan. Het is onduidelijk of ze zelf een winkeltje had of bij iemand in dienst was getreden. In elk geval beschikte het gezin begin twintigste eeuw over twee inkomensstromen.

Terwijl mijn grootmoeder en haar jongere broer Petrus Antonius de lagere school doorliepen, hebben mijn overgrootouders zuinigjes geleefd en plannen gesmeed, want in 1909 lieten ze vlakbij de kerk een woonhuis met winkel en café bouwen, inclusief twee gastenkamers.

Dat dit een gouden greep is geweest leid ik uit twee dingen af. Ten eerste was Ledeacker eind negentiende eeuw tot bedevaartsoord gepromoveerd, waar katholieken de Heilige Donatius, beschermer tegen onweer en blikseminslag, konden vereren en een volle aflaat verdienen. Daar kwamen pelgrims op af.

Ten tweede verkochten mijn overgrootouders hun woonhuis met winkel en café al in 1915, vertrokken richting Eindhoven en hebben, zover ik weet, nooit meer een beroep uitgeoefend. Mijn overgrootvader was op dat moment 55 en mijn overgrootmoeder 61 jaar oud. Kennelijk hadden ze in zes jaar tijd voldoende geld aan de pelgrims verdiend om al vroeg met pensioen te kunnen gaan.

Op de ansichtkaart hieronder is het complex afgebeeld dat mijn grootouders in 1909 lieten bouwen. Op de voorgrond poseert volgens bijschrift de familie aan wie het geheel werd overgedaan.

Een winkeltje waar je beeldjes van de Heilige Donatius kon kopen, en devotiekaarsjes. Zoiets. En in het café vloeide het gezegende bier uiteraard rijkelijk.

Buitenom

Stond ik weer met fiets en al in een bushokje. Omdat het regende. Omdat ik voor vertrek vergeten was buienradar te raadplegen.

Ik hoorde vandaag dat een volle neef van me op een keerpunt in zijn leven ook zijn roepnaam heeft veranderd. Daar moest ik even over nadenken. En dacht toen: ach, waarom niet.

Brantgum, Brantgum
bevolkt door nog maar een enkeling
die er ook geboren is.

Het belang van verbanden tussen delen en geheel, geen mentale constructies maar verbanden die er werkelijk zijn, daar, in de wereld.

Buiten elk discours om.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof