Nee, ik ben, evenals Sander Bax, niet zo somber gestemd over onze literaire toekomst: ‘De literatuur gedraagt zich als ieder medium in tijden van mediarevolutie: onder invloed van nieuwere media past het “oude” medium zich aan en vindt het zichzelf opnieuw uit.’

Griste in de bibliotheek twee boeken van Uitgeverij Vleugels mee: Drie broodjes in Le Bourget van Jean Echenoz en Twee zomers van Erik Orsenna. Twee Franse schrijvers. Een vertelling en een roman. Ik kan me de laatste tijd maar moeilijk tot het lezen van poëzie zetten. Gedichten schijnen me thans als irrelevant toe. Ik meen dat Huub Beurskens onlangs ook iets dergelijks overkwam.

Gaat vanzelf wel weer over. Of niet. (Jawel.)

De lachwexit. A sad story.

Dronryp, 2019 © Ton van ’t Hof

Vanochtend voltrok zich alhier het jaarlijkse belastingritueel: het controleren van de door de belastingdienst op voorhand ingevulde cijfertjes. Ze klopten zo ongeveer wel. We krijgen nog wat geld terug ook.

Het idee dat ik vervolgens ten uitvoer bracht bleek achteraf maar deels een goed idee. Ik boemelde naar Dronrijp en liep, vooruitgeduwd door de wind (dáár was over nagedacht), naar Deinum, tien kilometer verderop, waar ik het treintje weer terug naar huis zou nemen.

Ik hoopte onderweg het ‘samenklonteren van wolken’ te zien, dat vanochtend door een weerdienst voorspeld was.

Ik had mijn hoop gevestigd op een paar mooie plaatjes van enorme donderwolken.

Wat ik kreeg waren rukwinden, waarvan er eentje mijn ijzersterke paraplu uiteenrukte, en een stortbui van drie kwartier die me tot op mijn sokken doorweekte. Tot overmaat van ramp bleek mijn waterdichtte rugzak niet waterdicht te zijn: ook Sander Bax (De literatuur draait door) was kleddernat geworden.

En mooie plaatjes hó maar. Op het stationnetje van Deinum wist ik nog net even de achterkant van de samengeklonterde stortbui te kieken.

Avondeten voorbereid: schorseneren met ham, ei en gebakken krieltjes.

En dan is het al weer tijd voor een borrel.

Door dit blogbericht te publiceren toon ik, zoals kunst behoort te doen volgens sommigen, mijn lichaam in de publieke ruimte.

Las op de valreep dat het op Spitsbergen—waar inmiddels ‘een relatief grote Thaise populatie’ woont—nu al 81 maanden op rij warmer is dan het gemiddelde.

Deinum, 2019 © Ton van ’t Hof

Van de kleine twee uur die we in het kletsnatte maar pittoreske Sloten doorbrachten, zaten we anderhalf uur in een sfeervol restaurant. In de tijd die overbleef zagen we vanonder een paraplu alle huizen van het eeuwenoude vestingstadje. Op straat viel niets te beleven. Nou ja, we zeiden gedag tegen een kalende man die stond te roken op een achtererf. Maar dat was het dan ook. Thuis zocht ik nog even op hoeveel inwoners Sloten heeft: ruim zevenhonderd.

Als dit een roman zou zijn geweest, dan zou ik hebben geschreven dat ik vandaag in Amsterdam meemarcheerde voor het klimaat. Maar op dit blog probeer ik een directe, zo mimetisch mogelijke relatie met de werkelijkheid te onderhouden. Ik was dus in Sloten. Oók omdat ik het niet zo op mensenmassa’s heb.

Ik schaam me overigens geenszins voor mijn schrijvelarij alhier, waarin ik verteller én personage ben. Integendeel. Dit blog heeft soms zelfs—onbedoeld—iets literairs.

Met name als ik mezelf volledig op het spel zet.

Sloten, 2019 © Ton van ’t Hof

‘Tijd is hoop,’ schijnt filosoof Ernst Bloch (1885-1977) gezegd te hebben. Ik hoop dat ik nog even heb. Ik denk het wel. Wat mij hoopvol stemt.

‘Het is tijd om de auto de deur uit te doen,’ lees ik in George Monbiots column Auto-Destruct. Hij heeft steekhoudende argumenten. Ik wik en weeg, verkies nú al regelmatig het ov boven het karretje. Volgend jaar loopt ons private lease contract af en zullen we opnieuw een keuze moeten maken.

Uitzoomen. Overzien.

Voor mijn verzameling to-dolijstjes om honderd te worden (dítmaal van een Belgische baas): zorg voor voldoende inname van magnesium, vitamine D3, zink, vitamine B12, aardappelen, calcium, selenium, kurkuma, omega 3 & eieren.

Wacht even, eer ik verderga moet ik enkele lezers uit een droom helpen: wat hierboven een associatieve keten van dagboekaantekeningen lijkt te zijn, is in werkelijkheid, kijk nog maar eens goed, een weldoordachte constructie om mezelf in dit mediatijdperk optimaal – als in levenskunst – vorm te geven.

Tijd voor een glas wijn.

Soestpolder, 2019 © Ton van ’t Hof

Me milieubewust met de bus laten vervoeren naar het waterrijke natuurgebied de Soestpolder, dat ligt tussen dorp Burgum en het Burgumer Mar. Van de week hebben ze hier in de buurt twee vogelnesten geplaatst op acht meter hoge palen, die visarenden moeten verleiden tot het leggen van eieren. Ik heb nest noch arend gezien. Wel twee en een half uur gekuierd tussen uitgelaten vogels, reeën en hazen.

Onderweg belde mijn vader nog op:

‘Ha pa!’
‘Ton?’
Ja, dat ben ik.’
‘Ik versta je niet.’
‘Oh.’
‘Ik heb mijn gehoorapparaat niet in.’
‘Waarom bel je dan?’
‘Wanneer kom je?’
‘Woensdag.’
‘Maandag?’
‘WOENSDAG!’
‘Oh, maandag …’
‘Nee, woensdag!’
‘Ik hoor je niet.’
‘Godsamme …’
‘Ik hoor wel iemand praten, maar ik versta het niet. Kom je maandag?’
‘W O E N S D A G !’
‘Woensdag?’
‘J A H A A !’
‘Oké, woensdag.’
‘Mooi.’
‘Verder geen nieuws hier.’
‘Doe de volgende keer als je belt je gehoorapparaat in.’
‘Wat zeg je?’
‘Doei!’
‘Wat?’
‘D O E I !’

Burgumer Mar, 2019 © Ton van ’t Hof

Wat ik vandaag via allefriezen.nl nog meer over de familie Leupen te weten kwam:

Vermoedelijke geboortejaren van mijn overgrootouders:
1863: Geert Leupen;
1867: Geertruida Rutgers.

Met betrekking tot hun kinderen:
1910: geboorte zoon Harm Geert, mijn grootvader;
1911: geboorte zoon Evert Geert;
1914: huwelijk dochter Lammegien, dan 22 jaar oud;
1918: overlijden zoon Roelof, dan 16 jaar oud;
1919: huwelijk dochter Annechien, dan 23 jaar oud;
1929: huwelijk zoon Willem, dan 32 jaar oud.

Woonplaatsen van Geert en Geertruida:
1910: Oosterwolde;
1911: Oosterwolde;
1914: Oosterwolde;
1918: Kampen;
1919: Kampen;
1920: Fochteloo (nabij Oosterwolde);
1921: Oosterwolde;
1922: Weperpolder (nabij Oosterwolde)
1929: Epe.

Beroepen van Geert:
1910: landbouwer;
1911: landbouwer;
1914: landbouwer;
1918: koopman;
1919: slager;
1929: koopman.

Met betrekking tot de dood van mijn overgrootouders:
1942: overlijden van Geertruida te Assen. Ze was op dat moment weduwe van Geert en woonde weer in Oosterwolde.

En dan is er nog een kwestie met betrekking tot een boerenplaats te Oosterwolde, waar Geert een bod op uitbrengt en die hem begin 1918 ‘provisioneel’ wordt toegewezen. In het Lycaeus Juridisch Woordenboek vind ik onder het kopje ‘provisionele en finale toewijzing’ de volgende uitleg:

‘Soort akte of proces-verbaal uit de 19de en begin 20ste eeuw, waarin de notaris het geveilde onroerend goed zonder voorbehoud aan de hoogste bieder toewijst. De hoogste bieder weet dan zeker dat hij het huis kan kopen. De akte ‘provisionele toewijzing’ wijst erop dat toewijzing plaatsvindt onder voorbehoud van toestemming van de verkoper, omdat de hoogst geboden prijs kennelijk lager is dan de minimumprijs die de verkoper wilde hebben.’

Eind 1921 koopt Geert vastgoed in Oosterwolde voor het bedrag van fl. 8845. Mogelijk betreft het de boerenplaats waar hierboven sprake van is. Begin 1922 spreekt een notaris echter een royement uit, wat vermoedelijk betekent dat Geert met betrekking tot de koop een ‘waardeloze’ hypothecaire inschrijving had overlegd.

Het heeft er alle schijn van dat mijn overgrootvader met betrekking tot de koop had gebluft, onvoldoende kapitaalkrachtig was geweest.

Saillant in dit verband zijn twee gerechtelijke vonnissen die in deze periode worden uitgesproken: (1) in mei 1920 worden Geert en zonen Jan en Willem schuldig geacht aan huisvredebreuk, en (2) in augustus 1921 gaat zoon Jan wegens brandstichting negen maanden het gevang in.

Wellicht hebben deze delicten iets met de aankoop van de boerenhoeve te maken; je weet het niet.

Mijn grootvader van moederskant, Harm Geert Leupen, was de échte Fries in onze familie. Hij werd op 16 december 1910 in Oosterwolde (FR) geboren, dat twintig kilometer ten westen van Assen ligt, op de grens tussen Friesland en Drenthe. Zijn ouders, Geert Leupen en Geertruida Rutgers, kwamen uit de buurt van Rolde, niet ver van Assen.

Vanochtend vond ik op allefriezen.nl de geboorteakte van mijn grootvader. Daarin las ik dat hij om vijf uur ‘s ochtends werd geboren, dat zijn vader op dat moment landbouwer was en zijn moeder zonder beroep.

Leupen is een ongewone naam. Volgens de Nederlandse Familienamenbank droegen in 1947 slechts 154 personen in Nederland die naam en zestig jaar later 254.

Een vijftien jaar oudere zus van mijn grootvader, Annechien, huwde in 1919 met Alle de Jong uit Makkinga, dan arbeider van beroep. Ze zullen hun hele leven lang in Oosterwolde en omgeving blijven wonen. Vanmiddag bezocht ik hun gemeenschappelijke graf op de Algemene Begraafplaats aan de Pradingaweg te Oosterwolde.