Aanwinst: Jean-Luc Nancy. De kunst van het denken, onder redactie van Ignaas Devisch, Peter De Graeve & Joost Beerten, Klement / Pelckmans, 2007, 2e-hands, € 9,50.

Nieuweweg, Leeuwarden, 2017 © Ton van ‘t Hof

Over de zorg voor zichzelf (2)

In de eerste tekst, Zelftechnieken, beschrijft Foucault methoden die mensen in de oudheid gebruikten om inzicht in zichzelf te verwerven. Het schrijven van brieven aan vrienden over zichzelf – de dagelijkse gedragingen en stemmingen – is daar een voorbeeld van. Het zou de ervaring van zichzelf verrijken.

Een andere methode is de askèsis, die oefeningen omvat waarbij de beoefenaar zich in gedachten of daadwerkelijk in een situatie verplaatst, ‘waarin het kan nagaan of het tegen de gebeurtenissen is opgewassen.’ Seksuele onthouding en fysieke ontbering zijn in dit verband exempels van praktijkoefeningen.

Ook droomduiding werd als zelftechniek aangewend. In de klassieke oudheid kende men aan dromen voorspellende vermogens toe. In handboeken werd beschreven hoe je je eigen dromen verklaren kon. Foucault gaat niet dieper op deze methodiek in. Nu wil het toeval dat ik vanochtend uit een droom ontwaakte die ik me nog goed herinner:

Ik bevind mij in een lange gang op de vierde of vijfde verdieping van een statig gebouw met dikke muren en eikenhouten vloeren, dat doet denken aan een victoriaans landhuis. Voor me lopen een vrouw en enkele kinderen. Omdat de kinderen overal aan mogen zitten vordert het gezelschap maar langzaam. En ik heb haast. Terwijl ik me erlangs wurm kijk ik de geduldige vrouw recht in haar gezicht en zie dat ze van Javaanse afkomst is. Omdat er mensen voor de lift staan te wachten neem ik de trap en wentel mezelf in een razende vaart naar beneden. Op de eerste verdieping eindigt de trap abrupt bij de bovenste zitplaatsen van een tribune die zicht geeft op een enorme hal. Ik tuimel nog net niet tussen de toeschouwers.

Huh?

Over de zorg voor zichzelf deel 1

Dokkumertrekweg, Leeuwarden, 2017 © Ton van ‘t Hof

Over de zorg voor zichzelf (1)

Om nog beter inzicht in Foucaults interpretatie van de klassieke ‘zorg voor zichzelf’ te krijgen, lees ik momenteel Breekbare vrijheid: De politieke ethiek van de zorg voor zichzelf (Boom/Parrèsia, ed. 1998), waarin enkele belangrijke teksten van zijn hand over dit onderwerp zijn opgenomen.

Foucaults De moed tot waarheid: Het bestuur van zichzelf en de anderen II (Boom, 2009) wekte mijn belangstelling voor dit onderwerp en Wilhelm Schmids Handboek voor de levenskunst (Ambo, 2005) vergrootte die.

Voor de Grieken was de zorg voor zichzelf – meester worden over eigen gedrag, emoties en gedachten – van fundamenteel belang voor het functioneren van de gemeenschap en vormde de primaire grondslag voor de levenskunst. Een kunst die lang aan de vergetelheid is prijsgegeven, maar vandaag de dag weer in de mode raakt.

Wat levenskunst zo interessant maakt voor een seculiere samenleving zijn de mogelijkheden die zij het individu biedt om ‘een eigen levensstijl en een eigen moraal te ontwerpen.’

Maar nog even terug naar de geschiedenis. Met de opkomst van het christendom vond langzaam een aandachtsverschuiving plaats: van de klassieke zorg voor zichzelf naar een christelijke ‘liefdevolle gerichtheid’ op de ander, die uiteindelijk zelfs afstevende op een verloochening van het zelf. Een opvatting die nog altijd doorwerkt op wat wij thans moreel ‘goed’ vinden. Foucault zegt hierover:

‘Voor ons is het moeilijk om een strikte moraal en strenge beginselen te baseren op het voorschrift beter voor onszelf te zorgen dan voor wat ook ter wereld. We zijn eerder geneigd om de zorg voor zichzelf als immoreel te beschouwen, als middel om zich te onttrekken aan allerhande regels. We zijn de erfgenamen van een christelijke moraal die zelfverloochening als voorwaarde voor verlossing stelt.’

Toen ik dit las moest ik terugdenken aan mijn militaire opleiding. Vrijwel elke militaire inspanning is een groepsgebeuren en overstijgt individuele belangen. Toch wordt iedere militair afgericht om in menig opzicht eerst zorg voor zichzelf te dragen en dan pas voor anderen. Een zelfpraktijk die ook, of misschien wel vooral, ten dienste staat van de groep. Het draait dan met name om zorg voor eigen gezondheid en eigen veiligheid; aan een zieke, gewonde of dode soldaat heeft niemand iets. Dit kan betekenen dat je soms, in extreme omstandigheden, uit eigen- én groepsbelang, makkers aan hun lot moet overlaten.

Vanuit deze vaardigheid versta ik de samenhang beter, die de oude Grieken zagen tussen de zorg voor zichzelf en het functioneren van de gemeenschap.

En er schoot me nog iets te binnen. Na het vallen van de Muur in 1989 veranderde de taakstelling van de krijgsmacht drastisch. De verdediging van het eigen en NAVO grondgebied werd ondergeschikt aan de bevordering van Westerse belangen waar ook ter wereld. We gingen expeditionair. Plotsklaps werd er een groter beroep dan voorheen gedaan op de opofferingsgezindheid, het zelfverloochenende vermogen, van de militair. Het achterstellen van je eigen belangen of gevoelens ten gunste van familie of landgenoten gaat velen toch gemakkelijker af dan het wagen van je leven voor volstrekte vreemden of een bestuurlijke abstractie. Met name tijdens mijn uitzending naar Afghanistan heb ik geworsteld met de politieke en economische overwegingen die, in morele bewoordingen verpakt, tot Westers ingrijpen leidden. Een neerslag hiervan is terug te vinden in mijn bundel Aan een ster / she argued.

Ik vraag me nu af in hoeverre mijn besef van eer en plicht toentertijd, dat me in Kandahar terzijde stond, op een christelijke moraal stoelde. En of dat besef intussen veranderd is.

Govert Flinckstraat, Leeuwarden, 2017 © Ton van ‘t Hof

Aanvankelijk word ik stil, daarna boos: ‘Friesland scoort hoog op ranglijst roofvogeldoding,’ kopt de LC vanochtend. Hier, in mijn geliefde gewest, worden jaarlijks gemiddeld 7238 vogels gedood. Wel telt Birdlife International, zo lees ik, gedode roofvogels en trekvogels bij elkaar op, maar het Friese cijfer betreft ‘bijna alleen roofvogeldodingen.’ We perken dus niet alleen hun leefruimte in, maar maken buizerds en haviken ook nog eens doodleuk af. Zowel krant als rapport zijn niet erg duidelijk over de motieven, maar onder de daders lijken zich vooral jagers (uit plezier) en boeren (uit irritatie) op te houden.

Als ik wat google zie ik dat hier helemaal geen sprake van nieuws is, maar een praktijk waar we al jaren van op de hoogte zijn. Die ene politieman die in Friesland belast is met onderzoek naar roofvogeldodingen haalt blijkbaar niets uit. Als ik ga wandelen, trek ik de deur hard achter me dicht; wat weet ik toch eigenlijk verdomd weinig.

Het waait en mot weer eens. Hoezo gemiddeld 7238 vermoorde vogels? Ik heb geen onderbouwing van dit cijfer kunnen achterhalen. En waarom worden de tienduizenden ganzen die we jaarlijks uitroeien niet meegerekend? Omdat dat zogenaamd legaal is? In de buurt van Snakkerburen bezwijkt mijn paraplu aan de gevolgen van een rukwind en in de resterende kilometers word ik kleddernat.

De mens heeft zichzelf in het centrum van de werkelijkheid geplaatst en tot hogere macht uitgeroepen, heerser over alles wat hem omringt. Zo bepaalt hij het lot van planten en dieren. Wat een arrogante kwal.

Snakkerburen, 2017 © Ton van ‘t Hof

Aanwinsten:

  • Still, Thomas Struth, Schirmer/Mosel, 1998, 2e-hands, € 19,
  • Breekbare vrijheid, Michel Foucault, Boom/Parrèsia, 1998, 2e-hands, € 13,90.

Zag en hoorde Aldous Harding vandaag voor ‘t eerst en ben lichtelijk ondersteboven; uit Nieuw-Zeeland:

Als het kouder wordt en de dagen korter dan trek ik me terug, blijf in of dichter bij huis. Mijn wandelingen beperken zich dan doorgaans tot ommetjes door de stad, waar het beter schuilen is tegen wind en regen. Vanochtend miezerde het, maar mijn lichaam meldde ongeduldig dat het naar buiten wilde, en wel zo snel mogelijk. Soms voel je aan dat tegenstribbelen geen zin heeft en dit was zo’n moment, in de benen dus.

Via de wijken Huizum en Nijlân naar het Van Harinxmakanaal gewandeld, waar Leeuwarden, gestuit door het water, ophoudt te bestaan. Aan de overkant liggen weilanden, waarin ik nog wat schapen zag staan. Onderweg was ik maar weinig andere mensen tegengekomen en ook hier, aan het klotsende water, op één hondenuitlater na niemand te zien. Meestal vind ik dat heel prettig, zo ook vandaag; ik begon te zingen.

Friesland telt 650.000 inwoners, waarvan een half miljoen in dorpen en steden bij elkaar hokt, waarvan 110.000 in Leeuwarden. Maar waar waren ze dan? Als ik na een uur lopen er tien van had gezien dan was dat veel. Natuurlijk, het miezerde, maar toch; wat een heerlijke stad!

Bij het bedrijventerrein De Zwette rechtsaf en langs de Harlingervaart het centrum in gelopen. Volgend jaar, als Leeuwarden culturele hoofdstad van Europa is, moet het hier krioelen van de toeristen. Bah. Je hoort mij dan ook niet zeggen dat het hier mooi is. Integendeel, Friesland en haar hoofdstad zijn héél erg lelijk. Een mens heeft hier eigenlijk niets te zoeken.

Nijlânsdyk, Leeuwarden, 2017 © Ton van ‘t Hof