Nat worden zou ik sowieso

[20.10.2020] Terwijl ik gevallen bladeren bijeenharkte lieten onze bomen er bijna evenveel los. Toch had ik niets beters te doen. Echt niets. Bijvangst: opgeruimde bovenkamer.

De gevoelstemperatuur was 8°C, de regen vrij nat.

Familieaangelegenheid, 1846: pettenmaker trouwde met kleermaakster.

YouTube: bij -48°C op de schommel in Jakoetsk. De stad kraakte onder een dikke laag ijs, maar functioneerde nog wel. Ik blijf van een bezoekje dromen.

[21.10.2020] Wat ik in de loop der tijd leerde: mijn positie als auteur is afhankelijk van gunsten en willekeur.

Wat ik per se wilde: lopen. Op en neer naar de Coop, 6,5 km. Maar niet bij windkracht zeven. Nat worden zou ik sowieso. Dus voor achten al op pad. Ik kon wat ik wilde en deed dat dan ook. Plukte nog een egel van straat¹ en liet hem op het kerkhof, anderhalve meter hoger, weer los. Levend.

Deze week zijn de bieten aan de beurt.

¹Ids Wiersmastrjitte, Brantgum.

Per ommegaande

Stuurde drie gedichten in naar Het Liegend Konijn en kreeg per ommegaande antwoord van het instituut zelve: ‘Ik kan ze niet publiceren. Het aanbod is groot en ik moet een keuze maken.’ Hij heeft de gedichten niet eens gelezen, dacht ik, bovendien zijn ze prima, dus waar heb ik deze afwijzing dan aan te danken? Toen Deleu de mail opende en mijn naam zag staan moet er direct kortsluiting zijn opgetreden: die ellendeling komt er niet in! Wellicht heb ik de oude baas ooit op de tenen getrapt of zo.

‘Manieren van doen en zijn.’

Alle wegen vol modder in het boerenlân. Ui, maïs en aardappel geoogst. Stampende meeuwen, roofvogels op de uitkijk. Tamelijk veel lucht vandaag om in te ademen.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Boezem

Droomde vannacht over mijn vader. We sloegen elkaar op de schouders. Ik geloof dat ik weer on speaking terms met hem ben.

Ging vanochtend aan tafel zitten en schreef in één ruk een gedicht, de opening van een nieuwe cyclus.

Hing vetbolletjes op, voor de vogels.

Fietste met Hennie ruim dertig kilometer, bij godenweer. Onderweg fish & chips gegeten, begeleid door een soepel sapje van vlierbessen.

Haalde aan het einde van de middag voor het eerst sinds afgelopen zondag een biertje uit de koelkast, wat wel in de krant mag. Een Friese boezem, overigens, gebrouwen met Fries regenwater. Schuimde als een gek.

Ouwe wijven

Hielp Rindert met het versjouwen van oud ijzer, een tonnetje of tig.

Kreeg van een ouwe maat, geheel onverwachts, negen bananendozen vol boeken. Hij verhuist binnenkort naar Frankrijk en wil maar een deel van zijn boekenverzameling meenemen.

Onze kennis en hoop verschijnen ook in de woorden die we gebruiken.

Zocht naar grondslagen voor een nieuw poëtisch project. Dat ik als mens, en dichter, losstaand ben, bijvoorbeeld. Wat ik deel met anderen.

Toen ik mijn moeder vertelde, dat ze deze week 85 wordt, boog ze voorover, veerde weer terug en zei lachend: ‘O ja? Wat zijn wij alles toch ouwe wijven!’

Vergoelijking

Schrijvers zijn alleen het aanhoren waard als ze iets over zichzelf te zeggen hebben, en tegen zichzelf. Toen Seamus Heaney dit beweerde dacht hij vast niet aan journalisten of historiografen.

Hij had, vermoed ik, in de eerste plaats zichzelf op het oog. Wat niet wil zeggen dat er in zijn uitspraak geen kern van waarheid zit. (Ik denk namelijk van wel.)

Plaatste, tussen regenbuien door, een oud en versleten gietijzeren hek in onze tuin, dat we voor een paar tientjes bij Malle Pietje op de kop hadden getikt. Wij houden van hekken die al een heel leven achter de rug hebben.

Stootte op een voorvader die, toen hij een gezin wilde stichten, het vak van musicus verruilde voor dat van winkelier. Ook toen viel er met het maken van kunst meestal geen droog brood te verdienen.

At een stuk taart en zei ter vergoelijking iets tegen mezelf, wat ik heel aardig vond.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Moed

Schrijven, om jezelf te zien, na te klinken.

Pijn in mijn pens. Neurogeen. Een opengereten zenuw.

Gewandeld. Als noodverband. Enigszins tot rust gekomen.

Gedichten gelezen van Louise Glück:

‘We hebben het verbazingwekkend adequate landschap om de moed erin te houden.’

Zwagermieden, 2020 © Ton van ’t Hof

Baijens & Van Gogh

‘De aardappeleters’ van Vincent van Gogh werd geschilderd met verf die was ‘gewreven’ in de winkel in ‘glas en verfwaren, lakken en vernissen, chemicaliën, drogerijen en specerijen enz. enz.’ van mijn neef Johannes Josephus (Jan) Baijens.

Jan was een kleinzoon van een broer van mijn oudouder Ludovicus (Louis) Baijens. Jans moeder was de winkel aan de Rechtestraat in Eindhoven ooit begonnen om wat geld bij te verdienen. Jan was net als zijn vader Louis opgeleid als huisschilder en nam de winkel later van zijn moeder over.

Mijn familie is vergeven van de huisschilders. Sommigen konden nog aardig tekenen & kunstschilderen ook. En dat laatste geven we nog altijd door aan nazaten.

Overigens was Van Gogh niet helemaal tevreden over de kwaliteit van enkele geleverde kleuren. Maar kennelijk was hij op mijn neef aangewezen. Wellicht leverde Jan voordelig of was hij de enige leverancier van olieverf in die contreien. Ze hebben elkaar in elk geval regelmatig ontmoet.

Mijn neus krult van deze anekdote.

Het gevaar

Alleen wat je je zonder hulpmiddelen herinnert is de moeite waard om herinnerd te worden, las ik in een stuk over ‘het gevaar’ van het bijhouden van een dagboek.

‘Vergeten is een vorm van herinneren.’

Ik geloof er niets van. Oude foto’s roepen bij mijn demente moeder herinneringen op die haar opvrolijken. ‘O ja!’ roept ze dan en lacht. Dikke kans dat ze zonder foto’s nauwelijks meer op haar verleden terug kan kijken.

Mocht ik ooit geheugenproblemen krijgen dan heb ik dit dagboek nog.

Wat de fuck heb ik ook al weer gedaan vanmiddag?

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Feestend

Schilderde wat, grachtengroen, hing een buitenlamp op, harkte een zootje bladeren bijeen, fietste een eindje en liet me sinds lange tijd weer eens in de mond kijken.

Ik ben immer goedgeluimd als het leven zin heeft, een of ander plan dat ik kan uitvoeren.

Las een fatalistisch artikel waarin de verwachting werd uitgesproken dat we ‘feestend’ ten onder zullen gaan. Wat me niet de slechtste optie leek.

Nauwelijks een mondkapje te zien in Dokkum.

Voor mijn neus een bak patat & twee kroketten.

Raard, 2020 © Ton van ’t Hof

Door ondervinding verkregen

Onze valse wingerd krijgt langzaam de kleur van rode wijn, granaatrood. Wingerd is overigens een ‘doorzichtige samenstelling’ van wijn en gaard.

In de tuin van de buren: briljantrode appels, op vier meter hoog. In onze vijver de eerste kikker.

Legde een nieuwe stroomkabel aan van huis naar garage. Waarschijnlijk is de oude – uitgraven was er niet meer bij – vermorzeld tussen boomwortels.

‘Door ervaring leer je het vak pas echt.’

Ik zei: ‘Er moet weer licht komen,’ en er was licht.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof