Het landschap speelt geloof ik een rol in mijn geluksgevoel.

Ik kan het niet bewijzen, het is een gevoel.

Zo zou ik nog weleens een terp willen opwerpen;

die lichtvoetigheid past me wel.

Dan hoef je je ‘s avonds als de zon ondergaat nergens meer druk om te maken.

Restaurants en koffietentjes zitten vol.

Wat niets zegt over het cynisme en de vervreemding waarmee we naar de politiek zijn gaan kijken,

maar simpelweg met het aan je voorbij laten trekken van de wereld.

Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

1789, 1830, 1848, 1968, 2018.

Ook míjn wantrouwen jegens de politiek, instellingen, media en vakbonden heeft zich de afgelopen decennia steeds dieper in mijn ziel vastgezet. En de huidige inkomensverdeling is eveneens niet langer in overeenstemming met míjn gevoel van wat eerlijk, billijk is.

We zijn gistermiddag even aangewipt bij mijn ouders in Almere. Pa in de ene hoek van de blauwe bank, ma in de andere. Sinds enige jaren slapen ze ook apart, vanwege gesnurk en andere ergernissen. Op een gegeven moment vertelde pa, de aanleiding weet ik niet meer, dat hij ‘s nachts met een zaklamp naar de wc gaat, om geen andere lampen aan te hoeven doen die ma in haar slaap zouden kunnen storen; boven hun binnendeuren zitten ramen. Ma leek niet te luisteren maar viel toen toch plotseling in:

‘Ja,’ zei ze, ‘hij zat te kakken!’
‘Hoe bedoel je?’ zei pa.
‘Hij zat te kakken!’ Ze wees naar mijn vader.
‘Moet jij ‘s nachts nooit plotseling hoognodig naar de wc?’ verweerde hij zich.
‘Maar dat is niet leuk hoor!’
‘Wat bedoel je nou?’
‘Kakken ja!’
‘Ik zit altijd met de spuitbus klaar om de vieze luchtjes te verdrijven!’
‘Ik vond het helemaal niet leuk.’
‘Ach jij.’

Blijkbaar was mijn moeder geschrokken toen ze ‘s nachts de wc-deur had geopend en daar mijn vader plotseling in het donker had zien zitten, met slechts een flauwe schijn van de zaklamp op zijn gezicht.

Daarna met Ed & Ank uitstekend gegeten bij het gezellige Pallas Athene. Topavondje. De veertig jaar oude Metaxa waarmee we de maaltijd afsloten, doe maar decadent, was superieur.

Nog wat foto’s uit de oude doos ingescand, waaronder eentje van onze kinderen, tussen de duiven van Roermond, rond 1990.

Tim & Anoek, Roermond, ca. 1990

Soms sta ik op de dijk, met de handen in de zakken, blik op het Wad.

Ik hoef het voorschrift omtrent de 5-minutenregistratie niet na te leven.

Welvaart is geen zekerheidje.

Ik teer op de uitbuiting van anderen.

Ik modder maar wat aan.

Waar leer je vandaag de dag nog een goede burger te zijn?

Als je spruitjes niet lekker vindt, kun je ze altijd nog bedelven onder ketchup of mayonaise.

Jawel, ik krijg een verbeten oudemannenkop.

Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

Het verlangen naar spetterend vers (14)

Buiten is het zilvergrijs en zeer zacht voor de tijd van het jaar. Binnen neem ik een merkwaardig gedicht in me op. Het staat op bladzijde 4 van Arjen Duinkers e-bundel Catalogus, dat Querido in 2016 uitbracht, en luidt als volgt:

VOGEL VIERKANTJE VIERKANTJE CIRKEL

Vogel vierkantje vierkantje cirkel
Cirkel vogel vierkantje vogel
Cirkel rechthoek vogel cirkel
Bloem vierkantje lip vierkantje
Liniaal bloem vogel bloem
Cirkel bloem vierkantje mouw
Liniaal rechthoek vogel mouw

Bloem driehoek driehoek cijfer
Liniaal vogel vogel weggetje
Weggetje liniaal cijfer cijfer
Driehoek weggetje weggetje lip
Vogel bloem bloem bloem
Cijfer liniaal cijfer liniaal
Weggetje weggetje cijfer cijfer

Als ik in de bundel blader bespeur ik nog 56 gedichten van dezelfde soort, elk vers een geordende opsomming van woorden. Enkele titels: Oor signaal driehoek splinter, Deur stoel vouw spook & Braam duim vlakje vlakje. Ik hang gebiologeerd boven de gedichten, kan me maar moeilijk van ze losmaken. Alsof ik naar een nieuwe, zojuist ontdekte dier- of plantensoort kijk; God schiep de raarste dingen.

Als ik eindelijk naar achteren leun vraag ik me af of deze menselijke bedenksels ook nog iets voorstellen, iets representeren, weergeven? Of zou er niets dan blinde onverschilligheid aan ten grondslag liggen? Verwoordt Duinker in deze verzen soms een, al dan niet verzonnen, beeldschrift? Ook kan ik de mogelijkheid niet uitsluiten dat hij in Catalogus een zotskap draagt en zijn lezers, ter vermaak, voor het lapje wil houden. Ik weet het simpelweg niet. En heb daar vrede mee. Maar ze alle 57 van a tot z lezen? Nee. Als ik de BiebApp sluit moet ik zachtjes grinniken.

Nog voor zonsopkomst al op pad vanochtend. Naar Heerenveen, om lakschade aan onze auto te laten herstellen. Omdat de wachttijd drie uur bedroeg besloot ik te gaan dauwtrappen. Langs de dorpjes Luinjeberd, Tjalleberd, Luxwoude en Grootwijngaarden. Onderweg vertelde een vriendelijke man me dat het fietstunneltje even verderop onder water stond, waardoor ik een omweg moest maken. Uiteindelijk tikte ik zestien kilometer af, grotendeels afgelegd door heiige weilanden. Onverwachte gebeurtenis: de buizerd op ooghoogte, die pas wegvloog toen ik tot op drie metertjes genaderd was.

Het verlangen naar spetterend vers (13)

Tegenwoordig is € 22,50 voor een dichtbundel geen uitzondering meer. Dat is een forse prijs. Ik word qua aankoop steeds kieskeuriger. Lokale bibliotheken schaffen nauwelijks meer nieuwe bundels aan, en wat ze nog aanschaffen valt veelal in de categorie behoudende poëzie. Bij de landelijke onlinebibliotheek.nl vind je een iets ruimere keuze. Wie zich vandaag de dag wil verdiepen in de moderne dichtkunst moet een flinke beurs meenemen. Anno 2018 is poëzie alleen nog maar weggelegd voor welgestelden. Dat kan mijns inziens geenszins de bedoeling zijn. Dáár zou iets aan moeten gebeuren. Door middel van overheidsbijdragen in de kosten van bundels, bijvoorbeeld. Maar er zijn ongetwijfeld meer opties voorhanden.

*
Joseph Massey’s chapbook Present Conditions (2018) heeft me aangenaam beziggehouden. Hij is een meester in het fotografisch vastleggen van de natuur. Dat is zijn handelsmerk. Hieronder een proeve:

BOVENGRONDS

Het weer is het gedicht
dat zichzelf onophoudelijk
schrijft.

Het licht denkbeeldig.

De schaduwen waar ik
de uren aan ophang.

De wind voert

gras en gasoline,
gier en petrichor met zich mee.

De psychedelische muziek
van een bloesemende perenboom.

Kijk door zijn takken omhoog:

witte strepen
schreeuwerig blauw

na hoeveel maandagen
onderdompeling in sepia
en sneeuwval.

Heerenveen, 2018 © Ton van ’t Hof

Het verlangen naar spetterend vers (12)

Mijn stellingname gisteren dat € 655.000 subsidiegeld maar een magere oogst aan dichtbundels heeft opgeleverd werd me niet door iedereen in dank afgenomen. In reacties las ik loze kreten als ‘Russische toestanden’ en ‘cultuurvijandig’. Vrijwel niemand ging in op de poverheid van de opbrengst zelf. Maar de vraag of je waar voor je geld krijgt lijkt me ook relevant als het om subsidie van kunst gaat. Hoe lastig kunstwerken ook in geld zijn te waarderen. Zeven van de laatste tien edities van de VSB Poëzieprijs werden gewonnen door dichters die voor het schrijven van de bekroonde bundel geen subsidie van het Letterenfonds hadden ontvangen. Overheidssteun is geen noodzaak maar nice to have, een geste van de gemeenschap richting (een deel van) haar kunstenaars. Van de kunstwereld wordt dan wel verwacht dat de gelden goed worden besteed.

Het verlangen naar spetterend vers (11)

Je hoort het regelmatig: met poëzie is geen droog brood te verdienen! Als je louter kijkt naar de verkoopcijfers van dichtbundels dan is dat waar. Maar je kunt als dichter nog op andere manieren geld bij elkaar schrapen, door op te treden bijvoorbeeld of subsidie aan te vragen. En het subsidiepotje voor poëzie is best goed gevuld. Zo verleende het Letterenfonds in de afgelopen tien jaar ruim M€ 4,8 subsidie aan dichters. Ruim 4,8 miljoen euro. Aan 135 woordkunstenaars, voor het schrijven van dichtbundels.

Vijf grootverdieners streken in deze periode meer dan een ton op:

  • € 145.000 – Pieter Boskma
  • € 140.000 – Mark Boog
  • € 130.000 – Jan Baeke
  • € 125.000 – Astrid Lampe
  • € 115.000 – Alfred Schaffer

Voor dit geld schreef Boskma vier dichtbundels, waarvan er eentje werd bekroond met de Ida Gerhardt-Poëzieprijs en een andere leverde hem een nominatie voor de VSB Poëzieprijs op. Mark Boog wist er in deze jaren, naast enkele bibliofiele uitgaven, maar twee dichtbundels uit te persen, die niet in de prijzen vielen. Van Jan Baeke kwamen vier bundels uit; met eentje wist hij de Jan Campert-prijs te winnen. Ook Astrid Lampe produceerde in tien jaar tijd vier bundels, die niet veel opwinding teweegbrachten in letterenland. Naast een kleine dichtbundel in de Slibreeks pende Schaffer twee volwaardige bundels bij elkaar, Kooi en Mens Dier Ding, waar hij veel lauweren voor oogstte; Schaffer is de meest succesvolle dichter van deze vijf.

In totaal ontvingen bovenstaande dichters € 655.000 voor het schrijven van zestien bundels, waarvan we er vijf wonderwel geslaagd kunnen noemen. De samenleving heeft best wat over voor eerste kwaliteit poëzie.

Een volledig overzicht van de subsidietoekenning vindt u hier: pdf.

Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof