Logica

Over vooruitwerken gesproken: twee pimpelmezen inspecteerden de nestkast die in een van onze eiken hangt. Ze vlogen dartel om elkaar heen en hingen om de beurt met hun pootjes aan de rand van de opening, het kopje in het kastje gestoken. Waren ze nu al op zoek naar een liefdesnest? Het is pas begin december!

Zou de warmte van november ze in de war hebben gebracht? Nee, de natuur raakt niet van haar stuk, zij probeert, muteert, verandert als omstandigheden veranderen. Mensen worden daar onzeker van.

Naar Lutkelaard gewandeld, een buurtschap dat op 3,5 km van ons huis ligt. Ik heb een foto opgeduikeld van de terpafgraving die daar in 1884 plaatsvond en wilde weten of er in het landschap nog sporen van te vinden zijn.

Terpafgraving Lutkelaard, 1884

Terpen bestaan doorgaans uit zeeklei, die eeuwenlang is verrijkt met afval en mest van de bewoners en hun dieren. Begin negentiende eeuw werd de vruchtbaarheid van terpaarde ontdekt en begon men met het afgraven van terpen. Voor goede terpaarde ving je een goede prijs.

Op kaarten van 1718 en 1853 bestaat Lutkelaard uit drie huizen en dat doet het nu nog steeds. Op dat punt heeft het buurtschap de status quo weten te handhaven. De terp werd in 1718 al niet meer bewoond en lag even ten noorden van de huidige bebouwing.

Ik heb mijn best gedaan, maar vond geen enkel spoor van de voormalige verheffing, zag niets dan vlak grasland op zeeniveau. Verder viel me op dat twee van de drie huizen van recentere datum zijn en dat de derde, een kop-hals-rompboerderij, in 1884 is gebouwd, het jaar waarin men de terp heeft afgegraven. Zou deze boerenhoeve zijn gefinancierd met (een deel van) de opbrengsten van de terpaarde? Klinkt logisch.

Maar als iets logisch lijkt, is het nog niet waar.

Kop-hals-rompboerderij, Lutkelaard, 2020 © Ton van ’t Hof

Levenslot in de Peel

Wanroij en Ledeacker rond 1800: wat moet ik me daarbij voorstellen? Mijn oudvader Peter Verstraten werd in 1799 te Wanroij geboren en zijn eerste echtgenote, mijn oudmoeder Gertrui Peters, in 1803 te Ledeacker. Deze dorpen liggen in de Peel, op vijf kilometer van elkaar.

Op de site van het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) leer ik dat Wanroij tot aan het begin van de twintigste eeuw een ‘landbouwdorp’ is geweest, waarna er zich een beetje industrie vestigde. Merkwaardig genoeg groeide de bevolking in de negentiende eeuw niet, maar bleef rond de duizend inwoners schommelen. Mogelijk werd dit veroorzaakt door het veelvoudig uitkopen van armere boeren, die vervolgens met hun gezinnen naar naburige gemeenten vertrokken.

Ook Peter was ‘bouwman’ van beroep en werkte vermoedelijk, al dan niet als dagloner, voor een grotere boer. Ik heb nog geen document kunnen vinden waaruit blijkt dat hij beschikte over eigen grond en erf. Toen Peter in 1825 met Gertrui trouwde verliet hij Wanroij voor Ledeacker.

Ledeacker ligt op schrale zandgrond dat flink moet worden bemest. In 1800 werd het ook nog eens geflankeerd door zompige gebieden. Er woonden toentertijd ca. honderd mensen. Een arm gehucht, meer was het niet. Gertrui en Peter zouden er samen vier kinderen krijgen, van wie er drie heel jong stierven. In de negentiende eeuw was de kindersterfte in deze contreien hoog: in Wanroij liet vijftien procent van de zuigelingen binnen een jaar na hun geboorte al weer het leven.

Helaas was het gezinnetje nog een droevig lot beschoren. Op 36-jarige leeftijd overleed Gertrui in het kraambed. Het kind waar ze net van was bevallen, Antonia, werd slechts tien weken oud. Zes weken na de dood van Antonia hertrouwde Peter. Tijdens mijn stamboomonderzoek ben ik al heel wat korte rouwperiodes tegengekomen – sociale bijstand en fatsoenlijke kinderopvang kwamen pas in de twintigste eeuw tot wasdom – maar ik blijf er toch een ongemakkelijk gevoel bij hebben.

Oude schoolplaat

Wadhoofd

Het wadhoofd bij ’t Schoor, ten noordoosten van Ternaard. Daarachter ‘aangeslijkte en onbedijkte gronden’. Bij zwakke wind en een temperatuur rond het vriespunt. Vanbinnen een gevoel van oneindige rust.

’t Schoor, 2020 © Ton van ’t Hof

Thierry wie?

Roodborstje op vetbol. Pimpelmees op deze zelfde vetbol, ietsje later. Daaronder geraniums die maar blijven bloeien. Op de radio enkel gedoe, menselijk gedoe. En dan, plotsklaps, het verfrissende inzicht dat bijna vier jaar Thierry Baudet niets aan mijn leven veranderd heeft.

Tussen Brantgum en Waaxens staan nog beetwortels op een veld, uit de rest van het pikzwarte land heeft het leven zich zo goed als teruggetrokken. Wat ik tijdens mijn rondje nog wel aan drukte waarnam: een boer die zijn tractor schoonspoot, een wippende mus, een fladderende meeuw en twee dollende kraaien.

November: zorgeloos, heerlijk oppervlakkig.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Hooglandse drek

Ongetwijfeld lijd ik aan een wandelverslaving. Ik ben er lichamelijk én geestelijk afhankelijk van, weet zelden iets beters te doen. Het is me met de paplepel ingegoten. Mijn ouders wandelden vaak en mijn zussen en ik moesten dan mee. Vanaf mijn veertiende, vijftiende vergezelde ik ze uit vrije wil.

Vandaag door drassige landerijen ten zuiden van het Lauwersmeer gebaggerd, waar Konikpaarden (niet gezien) en Schotse hooglanders (wel gezien) vrij mogen grazen. Minder vogels waargenomen dan gehoopt. Topstuk was de grote zilverreiger (wat een knoeper), die als een landsheer statig door laag water waadde. Ook fraai: de enorme, grillige wilgen, die zich in eindeloze rietvelden fier staande houden. Aan onze schoenen klodders hooglandse drek.

Zuidzijde Lauwersmeer, 2020 © Ton van ’t Hof

Erwtensoep

Al vroeg naar Amerongen gereden. Omdat er een plan was: samen met Anoek, Sanne & de honden een fikse wandeling in de omgeving maken. Zigzaggend over de Utrechtse heuvelrug. Het weer werkte mee: droog, halfbewolkt, 8°C. Om ons heen overwegend bruine en gele tinten, vaak van bomen waar we de naam niet van wisten. Beuk, berk en eik lukte nog wel, maar de rest was problematischer. Een hiaat in onze éducation, vind ik nog altijd. Belangrijker waren de gesprekken die we voerden, het samenzijn. Aan de eindstreep: Anoeks erwtensoep.

Amerongen, 2020 © Ton van ’t Hof

Weldadige leegte

Een stralende middag. Ik trek er toch nog even op uit, verlaat Brantgum via de Fjildbuorsterwei richting Hantum. Het landschap tussen de twee terpdorpen is vlak, gecultiveerd en vandaag een zonbeschenen lappendeken. De oranje gifvelden kleuren wonderwel bij de zwarte omgeploegde akkers, het witgele riet, groene gras en het blauw van de onberispelijke hemel.

Na ruim een kilometer passeer ik een oude kop-hals-rompboerderij, de Montzema State, die 16e-eeuwse fundamenten heeft. Enkele maanden geleden is het monumentale pand van eigenaar verwisseld. Achter benedenramen wordt geklust. Het lijkt erop dat de nieuwe eigenaar in tegenstelling tot zijn voorgangers niet boert en de boerderij louter als woning in gebruik heeft genomen. Het erf is opgeruimd en aan de overzijde van de weg wordt landbouwgrond te koop aangeboden. Hier geeft iemand een wending aan de loop der geschiedenis.

Als ik de Pybemawei insla vliegen twee buizerds op uit een plukje bomen, dat waarschijnlijk een gerief- en geen pestbosje is, om boeren van hout te voorzien. Er ligt een sloot omheen om het tegen vee te beschermen, maar is van de weg af voor iedereen toegankelijk. Ik zie ook enkele gevelde bomen.

Op een wat lager gelegen weiland staan flinke plassen water, drassigheid die is afgezet met roodwit lint. Daar moet je kennelijk niet met je zware tractor in belanden.

Daarna rechtsaf de Mellemawei op, een verzakte, half begroeide klinkerweg die thans nog door wandelaars en boeren wordt gebruikt, maar vroeger de hoofdweg was tussen Hantum en Foudgum. Ik kom er zelden iemand tegen. Naast kieviten en meeuwen word ik getrakteerd op een zilverreiger die me laat opmerkt. De vooruitgestoken borst van een wegwiekende reiger heeft iets plechtstatigs.

Langs de eeuwige rust van Foudgum en de provinciale N365 keer ik vervolgens huiswaarts. Mijn hoofd heeft dan al de weldadige leegte van de omgeving overgenomen.

Fjildbuorsterwei, Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Wilde vogels

In een weiland achter ons huis heeft een legertje grauwe ganzen al enige weken zijn kamp opgeslagen, op de plek waar kooikers ooit¹ een vogelkooi hielden. Als je langsloopt vliegen de ganzen, schichtig als ze zijn, gakkend op, de grote leegte in.

  1. In de atlas van Schotanus (tweede, verbeterde druk, 1718) zijn ten zuidwesten van Brantgum drie vogelkooien (‘Vogel Kooy’ voor het vangen van wilde vogels) ingetekend, in die van Eekhoff (1853) staan ze al te boek als ‘voormalig’.
Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Wierummerwad

‘t Moddergat, Noardeast-Fryslân, 2020 © Ton van ’t Hof

Moddergat de Kamp

Ten noordoosten van Nes, Noardeast-Fryslân, 2020 © Ton van ’t Hof