In 1994 verscheen John Ashbery’s zestiende dichtbundel, And the Stars Were Shining. Hij was toen 67 jaar oud. Volgens kenner David Herd had Ashbery zich niet eerder in een bundel zo duidelijk uitgesproken over het verstrijken van de tijd, de vergankelijkheid.

Het tweede gedicht in deze bundel heeft de dubbelzinnige titel ‘Spring Cries’. Hoewel het ook een ode aan de lente is geloof ik dat onze tijdelijkheid inderdaad het werkelijke onderwerp vormt van dit gedicht. Oordeel zelf:

Overigens zou Ashbery na And the Stars Were Shining nog veertien bundels met nieuwe gedichten publiceren. Hij werd 90.

Liet me met een bus naar Museum Dr888 vervoeren voor een bezoek aan de tentoonstelling Bauhaus en Drachten. Ik heb iets met Bauhaus, dat strakke, ogenschijnlijk eenvoudige, wat voor functioneel doorgaat maar het zelden is. Er lagen twee prachtige vloerkleden.

Hennie houdt er niet zo van maar ik vind het goddelijk: in olijfolie en citroensap gekookte bleekselderij; met wat suiker en een snufje zout veertig minuten laten pruttelen.

Las een naar het Engels vertaalde haiku van Basho die ik nog niet kende maar wel ijzersterk vind. Hij schreef het drieregelige gedicht nadat hij was overweldigd door de schoonheid van het eiland Matsushima:

Matsushima ah!
A-ah, Matsushima, ah!
Matsushima ah!


– Matsuo Basho

Wat ik zie is niet wat er is, hoewel er absoluut iets is wat ik denk te zien.

Miedum, 2019 © Ton van ’t Hof

Je zoekt je leven lang naar logica en samenhang maar vindt vooral onredelijkheid en tegenstrijdigheden.

‘Restanten hormoongif.’

Waarom zou je je herinneringen eigenlijk schikken, ordenen?

In de omgeving van Zwarte Haan onze benen gestrekt, oefengebied van duizenden brandganzen, het landschap afiguraal. Centrale gebeurtenis: de magere man die we in een zwijnenstal van een dijkhuisje saxofoon zagen spelen.

Zwarte Haan, 2019 © Ton van ’t Hof

Zag gisteravond een erbarmelijk slechte eerste helft van ADO-Twente. Elk doelpunt – er viel er niet eentje – zou een toevalstreffer zijn geweest.

Zag in de tweede helft enkele spelers over de bal heen maaien, niemand van de gaten gebruikmaken en een ADO-speler die een doelpunt van ADO voorkwam.

0-0

Hup ADO.

De grimmige wind vannacht – ik lag een tijdje wakker – deed me niet naar binnen verlangen, integendeel, ik wilde eropuit, me zodra het licht was met hem meten, zijn felle vlagen weerstaan.

Voelen, weten dat je leeft.

De zon brak vanochtend een uur later dan voorspeld door. In tussentijd was ik – omkeerweigeraar – kledder geworden. In de stormachtige wind had de meegenomen paraplu me geen enkele dienst kunnen bewijzen. Maar de vergezichten vanaf de Griene Dijk, volgepakt met titanische wolkenmassa’s, hadden veel vergoed, zo niet alles. Toen ik bij de auto in Minnertsga kwam waren mijn kleren al weer bijna droog.

Je leeft maar één keer.

Schreef vanmiddag in één ruk een gedicht, dat nu aan het bijkomen is.

Maakte erwtensoep. Alweer? Ja, alweer.

Minnertsga, 2019 © Ton van ’t Hof

Stoof door de krant heen, eeuwige herhaling van ellende. Besteedde aandacht aan een artikel van een universitair hoofddocent – ‘Het zoeken naar consensus onder klimaatwetenschappers leidt tot behoedzame schattingen en geregeld worden risico’s daarom onderschat.’ – en de overwinning van eerste divisionist Cambuur gisteravond – ‘Noem het “Herbstmeister” of “winterkampioen”; SC Cambuur is het nu al.’

Bob Vanden Broeck stuurde me zijn definitieve poëziemanuscript toe: hij zal volgend jaar in de Gaia Chapbooksreeks debuteren.

Verving twee gedichten in mijn eigen manuscript. Daarna gewandeld & vis gegeten. ’s Middags de omslag van mijn nieuwe bundel vervolmaakt, de boel geüpload en een proefdruk besteld van Waar tijd al niet goed voor is.

Een aanstekelijk geluk overviel me.

In bad verder gelezen in Paolo Cognetti’s De buitenjongen. Een dijk van een verhaal over een writer’s block in de bergen. Sober en bedaard verteld, vol zalige eenzaamheid & ruige natuur van de Grajische Alpen. Het boek roept een verlangen bij me op naar dikke profielzolen & grootse panorama’s.

Gytsjerk, 2019 © Ton van ’t Hof

Ma in de auto: ‘Hé, kijk daar! Zo met die armen wijd! Een Jezustoestand.’

Ik weet nog steeds niet wat ze zag, bedoelde.

‘Mens onder de mensen te zijn en te blijven, ongeacht de omstandigheden, en niet somber worden of de moed verliezen – dat is waar het leven om draait, dat is de opgave.’

Fjodor Dostojevski

Werd vanochtend wakker met een openliggende maagzenuw. Geen idee vanwaar. Vermaak me immers opperbest. Heb het te aanvaarden. Glas wijn dan maar.

Dacht na over macht. Over mijn houding ten opzichte ervan. Die ambigu te noemen is.

Aanleiding: enkele dichtregels van de Engelse priester en dichter George Herbert (1593-1633):

‘You must sit down, sayes Love, and taste my meat: / So I did sit and eat.’

George Herbert

Ik heb geen enkele invloed op de interpretatie van de lezer.

Bartlehiem, 2019 © Ton van ’t Hof