Het kruidige leven

Concreet: liet vandaag twee paarden in de wei, schafte een grondboor aan, verving een houten paaltje, ruimde de garage op, at tussendoor een prakje van gisteravond, laadde de aanhangwagen vol met rotzooi voor de milieustraat (waar ik morgenochtend naartoe zal rijden) en nam acht dozen wijn in ontvangst.

Vond ook nog een oude foto, waarop ik in pelotonsverband de Vierdaagse van Nijmegen loop, in 1979, twintig jaar oud. En geen centje pijn. Toen.

Het kruidige leven. Vertolkingen variëren. Voor je het weet is het tijd om je tanden te poetsen en naar bed te gaan.

Een eenzame archetypische ergernis

Over een gedicht van John Ashbery

In een recensie van John Ashbery’s A Worldly Country (2007) wijst Bryan Appleyard op een grondtoon van Ashbery’s poëzie die ik herken: ‘het constante, treiterende vermoeden dat er in feite iets te zeggen valt’ over de wereld waarin wij ons bevinden, iets wezenlijks.

In een van zijn gedichten verwoordt Ashbery dit als volgt: ‘Zo velen zaten goed fout / over bijna alles, het doet er / nauwelijks toe, iets anders wel / anders zou alles kassiewijle zijn.’

Geen bakerpraatjes, maar essentialia.

Wat gemakkelijker gezegd is dan gedaan. Ashbery zoekt zijn heil niet in generaliserende beweringen, maar in omtrekkende bewegingen en falsifiëringen.

In het tweede gedicht van A Worldly Country, ‘To Be Affronted’, komt de term ‘mandala’ voor. Een mandala (zie illustratie hieronder) is een symbolische uitbeelding van het heelal en heeft een oosterse oorsprong (Sanskriet: cirkel). Vooral Ashbery’s latere gedichten, waarin het zinnebeeld en de allegorie niet worden geschuwd, hebben wel iets weg van mandala’s.

OPENLIJK BELEDIGD

Een tijdje vingen we het wezen van de dingen op
zoals ze in het verleden hun beloop hadden gehad. En we leerden ze
heel goed kennen. Spinnenwebben hingen
boven de kust. Onverschrokken plukte het meisje
ze uit de wolken, een en al geheimzinnigheid
en elasticiteit. Later tilde een waas
ze boven de cementen droom van taxie en leven uit.
Dit was de min of meer gebruikelijke
wijze waarop dingen uit- en weer
samenvloeien. Wat we niet konden zien was
verrukkelijk. Juli ging heel snel voorbij.

Meer dan een mankement, meer zelfs
dan cirkels die tegen het midden
en het einde loslaten, was de kaars die onder het gewelf stond
en barre dingen mompelde tegen het weer,
de gevels. Stel je een film voor die lijkt
op iemands leven, dezelfde lengte, dezelfde waarderingscijfers.
Stel je nu voor dat jij erin speelt en de tweede hoofdrol vervult,
een rol die eigenlijk belangrijker is dan die van de opdrachtgevers.
Hoe weet je dat meer dan de helft
voorbij is? Terwijl pastellen toendra
als een mandala van alle kanten toestroomt
kan het kleine meisje nergens heen.
Ze speelt met ons, in onze pronkstoet; je schaamt je
omdat je zo lang bent weg geweest en laat wat dan ook
in de toestand geraken waarin het nu verkeert. Te laat, de berenkop
op de schoorsteen loopt rood aan van eenzame
archetypische ergernis over de wijze waarop tijd zojuist verstreek.

Het is te laat voor de huzaren en de gebogen figuur
op de achtergrond: toen ik jong was dacht ik
dat hij een tovenaar was, of misschien een vergeten
charlatan uit een verre hoofdstad. Nu weet ik dat niet zo zeker meer.

Net als in het openingsgedicht van A Worldly Country staat ook in dit tweede gedicht de tijd – als ‘grootheid van de voortgang en opeenvolging van de gebeurtenissen als een ononderbroken stroom’ – centraal. Meer specifiek: het besef dat de tijd snel gaat.

En wie, net als ik, in ‘de gebogen figuur op de achtergrond’ de man met de zeis ziet, hoort uit dit gedicht de prangende vraag opklinken – Ashbery werd tachtig in 2007 – ‘Wanneer zal het mijn tijd zijn?’

Kruisverbanden

Je leven zien, de wereld, zoals ze voor je verschijnen. En de hele boel – alles wat je ziet en voelt – accepteren. Waarmee ik niet bedoel: ongemoeid laten.

Buiten: opdwarrelend stof, gekuifde golven, vuilcontainers die omwaaiden.

We voelden de behoefte opkomen aan een fikse wandeling. Dus een eindje oostwaarts gekard en door de velden rondom Morra en Lioessens gemarcheerd. Sehr schön. Zon en wolken. Spel van licht en donker. Klare lijnen. Dooie torenvalk, gesneden tulpenvelden. Ben & Jerry’s.

Het effect van schoonheid op de geest.

Deze had ik nog niet gehoord en wil ik niet vergeten: complotdenker René uit Groet: ‘Ik maak me zorgen over die kruisverbanden tussen RIVM, WHO en Bill Gates. De man is geen viroloog, geen medicus, hij is een computernerd. Bij Microsoft verspreidde hij virussen om vervolgens antivirussoftware te kunnen verkopen. Het verdienmodel is nu hetzelfde.’

Een ieder schittert in de triomf van zijn eigen kleur.

Morra, 2020 © Ton van ’t Hof

Godsakkerse!

Bij het krieken van de dag: plensbuien. Wat tuin en mij genoegen verschafte. Toen ik mijn neus buiten de deur stak rook het allejezus lekker.

Las met beschaamde kaken in de LC harde cijfers in een opiniestuk van publicist Jan de Boer: ‘Honger en armoede doden volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) iedere dag 25.000 mensen op onze onherbergzame planeet. Om die uit te bannen moet er in de hele wereld 1 miljard euro per dag worden gevonden, terwijl in de strijd tegen het coronavirus alleen Frankrijk al niet aarzelt om daarvoor het dubbele uit te trekken.’

Begon aan een vertaling van het tweede gedicht uit John Ashbery’s A Wordly County (2007), ‘Openlijk beledigd’.

Plaatste een nieuwe lamp in de garage, verving het stopcontact en vernieuwde alle bedrading; het oude zootje was een godsakkerse doodswens.

Dronk een biertje en een glas wijn. Luisterde naar de herkenningsmelodie van Mash, ‘Suicide is Painless’, en zong het refrein mee. Dacht even aan mijn tijd in Afghanistan, waar ik pal naast het helikopterplatform van het veldhospitaal werkte.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

50, 60 & 70

‘Daar,’ zei Rikus en wees naar een enorm gebouw aan de horizon, ‘staan negenhonderd koeien op stal. Van drie broers. En ze hebben Polen in dienst om de beesten te melken.’ Rikus houdt zelf ruim honderd koeien. ‘Denk je,’ reageerde ik, ‘dat ze er ieder, die broers, meer geld aan overhouden dan jij?’ Hij kneep zijn ogen even dicht en antwoordde: ‘Nee, dat denk ik niet.’ Rikus is begin vijftig.

Luisterde naar nieuwe platen van Sleaford Mods (anderhalve nummer volgehouden), Charli XCX (acht nummers volgehouden), Kaitlyn Aurelia Smith (‘holistic spiritual nourishment’) en Moby (gladjes).

Sprak ook nog even met buurman Wim, die bijna blind is. Of we ook last hadden van hun haan? ‘Toen we hem kochten kraaide hij wel 180 keer op een dag! Nu gelukkig wat minder.’ Ik lachte: ‘Nee hoor, geen last, lekker landelijk geluid.’ Wim is net zo oud als ik.

Dichter en zenboeddhist Philip Whalen, van wie ik momenteel een biografie lees, zag op zijn zeventigste niets meer, schreef geen gedichten meer en hield zijn dagboek niet meer bij.

Tijd komt en gaat en laat net als het tij allerlei rommel achter.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Fien & Pierke

Vanochtend mochten Fien en haar zeven weken oude zoon Pier dan eindelijk – Tim en ik hadden gisteren de plaatsing van het nieuwe hekwerk voltooid – de wei in. Na maanden op stal te hebben gestaan, sprongen en renden ze hinnikend door het hoge gras. Deze dag kon niet meer stuk.

Een dag waarop, wederom, bergen werden verzet en we bloeiden en waarover, voordat vergetelheid hem opslokte, ook nog een stukje geschreven werd.

Fien & Pierke, Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Als het leven zin heeft

Wat verwacht het leven vandaag van me? Welke taken wachten me?

Als mijn tijd niet beperkt zou zijn geweest – ik ga een keer dood – dan waren dit vanochtend zinloze vragen geweest.

Best een grote verantwoordelijkheid die op me is afgeschoven: Met wie of wat breng je je tijd door?

Wees blij dat het leven zin heeft!

Voornemens voor vandaag: Hennie een ontbijtje op bed brengen, Foppe helpen met zijn hek.

En de plannen werden onverkort uitgevoerd. Zonder schelden of tieren. En de boterbloemen waren fantastisch evenals de zinderende horizonten.

Het half voltooide hek