Begrenzinkjes

Er was eens een vogel, die op mijn hoofd scheet.

De dapperheid van duidelijke taal.

Ik stond voor een dilemma: kies ik voor een paar kuub extra waterverbruik of laat ik onze planten versmachten van dorst. Ik koos voor het eerste.

Omdat onze verwarmingsketel op ontploffen stond – ‘Wilt u nooit meer zó lang wachten met bellen!’ – verscheen er een energiereparateur ten tonele, die de boel repareerde.

Je stuit elke dag wel op een of twee begrenzinkjes van het leven.

Ternaard, 2020 © Ton van ’t Hof

Bloedlink gat

Vandaag nam ik een houding aan tegenover de toekomst.

Vroeg me onder het grasmaaien af wat ik vond van de massale vlucht naar strand en zee, die enige verkoeling moet bezorgen. En hoe ik mijn inzichten dan brengen zou.

Ik ben een man van de jaren tachtig en geen enkele ervaring die dit nog veranderen zal. In die tijd leek de opening, die toekomst is, me nog rooskleurig toe, nu leef ik in de wetenschap dat we afkoersen op een bloedlink gat.

Mijn intellect zegt me dat ik maar beter onder de bomen kan blijven, in de schaduw, en zo min mogelijk sporen dien na te laten en zo veel mogelijk moet zien te redden van het leven onder handbereik.

Vanuit artistieke overwegingen zit ik daar, tussen plant & dier, wel op een kratje Heineken.

Structuur

Structuur volgt uit feiten. Wat een degelijke openingszin is, een belofte waarin de strekking van dit bericht reeds gevat is.

Lang geslapen, laat opgestaan vanochtend. Wat mede het gevolg was van een bovenmatige inspanning: het sjouwen van vierhonderd ‘pakjes’ hooi van 15-20 kilo naar Foppes hooizolder.

Wat het bijhouden van een dagboek óók is: selecteren. Dingen die me niet interesseren laat ik weg.

De smoorhete middag onder bomen en in de wind doorgebracht, en nagedacht over samenstellen en opbouwen.

Totdat ik wist dat ik er was. 17.00 uur: tijd voor een verfrissend biertje. Je hoeft niet ver te reiken om het leven te vinden.

Schuimkoppen

Droomde over vleermuizen, die verdomd veel gelijkenis vertoonden met bonte spechten. Maar het waren vleermuizen.

Hakte, achterin de tuin, driemaal een gat in vooroorlogse funderingen, ter plaatsing van een gietijzeren slagershek waaraan ooit gerookte hammen hingen. Nu laten we er een bruidssluier tegenop groeien.

Meeuwen, ik zie de laatste weken opvallend veel meeuwen rondom ons huis.

Satan is het kapitalisme, las ik in een boek, en internet een valkuil. Je kunt erom lachen en denken dat ik rare boeken lees, maar met een voorstelling van het kapitalisme als veelkoppig en vraatzuchtig monster doe je de waarheid nauwelijks geweld aan, en sinds ik me heb teruggetrokken op een plek waar je nog rust kunt vinden is mijn schermtijd sterk gedaald. Overigens zou ik de boel wel, als het mijn boek zou zijn geweest, anders hebben verwoord.

Op en neer naar Bartlehiem gefietst, schuimkoppen op de Dokkumer Ee. Mijn moeder noemde een pony meneer, een boot beest, paarden mannen, geiten hertjes en een hond poes. En ik begreep haar volkomen.

Foudgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Wolkbreuk

We hebben de afgelopen maanden nauwelijks last van ze gehad, maar nu zijn ze tot het offensief overgegaan: steekmuggen.

Naar de Coop gefietst, met als hoofddoel: lege flessen inleveren.

Daarna, net thuis, een wolkbreuk.

Die ik – tuin hing scheef, garage stond blank – tevergeefs los probeerde te zien van klimaatverandering.

‘Waar dingen misgaan, zijn dingen te groot.’

Bornwird, 2020 © Ton van ’t Hof

Aanmoediging

Gisteren is Gert [de Jager] bij ons langs geweest. Hij zag er topfit uit. Uiteraard hebben we, goed geluimd en bij vlagen gematigd optimistisch, geboomd over poëzie en verwante zaken. Hij moedigde me aan om weer wat vaker over poëzie te schrijven, ik twijfelde.

Ik krijg weer een pens. Actie graag!

Mijn betovergrootouders Ludovicus Bartholomeus Baijens en Johanna Gertruda van Hooff, van wie ik gisteren een foto publiceerde, kregen zes zonen en een dochter. Vier (!) zonen stierven kort na hun geboorte, twee zonen werden net als hun vader huisschilder en dochterlief trouwde, jawel, met een huisschilder.

Tussen de middag een tosti gegeten.

En vervolgens dan toch een nieuw blog aangemaakt, poëzielog, waarop ik vanaf vandaag mijn aantekeningen over poëzie zal publiceren.

Raard, 2020 © Ton van ’t Hof

Betrekkingen

Adam Smith was nogal geobsedeerd, hoorde ik, door samenhang.

Een van mijn betovergrootvaders heette Daniel, zonder puntjes op de e. Als hij daarentegen zijn handtekening zette, plaatste hij steevast een dubbele punt achter zijn enige voorletter: ‘D: van ’t Hof’.

Al om 11.30 u. op mijn luie reet in uitbundige zon. Boek: The Value of Ecocriticism.

‘Denken als een berg.’

Van twee andere betovergrootouders, Ludovicus Bartholomeus Baijens en Johanna Gertruda van Hooff, kreeg ik een foto in handen, die eind 19e eeuw is gemaakt. Ik zocht naar gelijkenissen maar vond ze niet. Bij Johanna moest ik wel denken aan het Nepalese segment (0,8%) in mijn DNA.

Ludovicus Bartholomeus Baijens & Johanna Gertruda van Hooff

‘Kijk,’ zei mijn moeder

‘Kijk,’ zei mijn moeder en wees naar een toerende motor. ‘Een Harley-Davidson,’ verduidelijkte ik. ‘O,’ zei mijn moeder, ‘heet-ie man zo?’

Joachim du Bellay (1522-1560) vond dat gedichten niet per se in het Grieks of Latijn hoefden te worden geschreven, maar beschouwde het Frans, mits goed gehanteerd, ook als een optie.

‘Kijk,’ zei mijn moeder en wees naar een gevechtsvliegtuig in de landing. ‘Een F-16,’ verduidelijkte ik. ‘O,’ zei mijn moeder, ‘zitten daar zestien mensen in?’

Door mijn voorouders aan de vergetelheid te ontrukken, trek ik het verleden in de persoonlijke sfeer, doorbreek abstracte historische schema’s, consolideer iets van wat werkelijkheid is geweest.

Tussen Brantgum en Foudgum, waar ik ook keek, strak gemaaid gras.

Het wit zo wit

Goed schrijven begint met verontrustende feiten. Opperde ik.

Vanaf de geboorte van haar tweede kind begon mijn betovergrootmoeder Maria van de Leur zich opeens Anna Maria van de Leur te noemen. Dit hield ze vol tot haar dood.

Wie vergeet te leven, verliest.

Dus bracht ik enkele uren op ladders door, in aanwakkerende wind, om dakgoten schoon te maken en het garagedak vrij van klimop.

In bad las ik Bert Voetens dichtbundel een bord bekijken: ‘het wit zo wit / als het rond rond’.

Holwerd, 2020 © Ton van ’t Hof

Goochelen met geuren

Dit dagboek wordt bijgehouden omdat de ik-figuur te lui is om personages te verzinnen, of een plot.

Schrijver David Markson bewaarde zijn aantekeningen op indexkaartjes.

Met kundigheid en verve haalde ik een goeddeels ijzeren keukenblok uit elkaar, van IKEA. Met de jaren bouw je IKEA-ervaring op. Het ijzer ging naar Rindert van de overkant, die in ijzerhandel een hobby heeft gevonden.

Waar het wél weer voor was: een wandeling langs velden zwiepend gerst en tarwe.

Terwijl Hennie tegen etenstijd goochelde met geuren, las ik Hoe economie de wereld kan redden, alle twee met een glas rosé onder handbereik.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof