Hoewel Koos van Zomeren (1946) ook enkele dichtbundels publiceerde, heeft hij dáár zijn bekendheid niet te danken, wel aan zijn stijlvolle romans, columns en journalen, waarin de natuur dikwijls een belangrijke rol vervult. En ik begrijp dat: zijn poëzie is de moeite van het lezen waard, maar zelden top.
Onlangs tikte ik Van Zomerens dichtbundel Aurikel en de weg omhoog op de kop, een bibliofiele uitgave uit 2001, waarin zeven gedichten zijn opgenomen, die alle bergwandelen tot onderwerp hebben. Het openingsgedicht is meteen ook het beste gedicht van het zevental.

De titel ‘Villgrater Joch’ verwijst naar een bergtop in het Oostenrijkse Tirol. De hond waarvan in het gedicht sprake is, is Van Zomerens hond Rekel, die eind jaren negentig al een oudere hond was. En voor bergwandelen heeft Van Zomeren een hartstochtelijke liefde!
Met name de eerste en laatste strofe maken het gedicht interessant. In de eerste verwoordt Van Zomeren een filosofische kwestie waar Plato zich al mee bezighield: over alles wat de mens ziet ligt een persoonlijk filter, we nemen de werkelijkheid waar door een subjectieve bril, niemand ziet hetzelfde oftewel alles wat je ziet ben jezelf.
En wát Van Zomeren dan tijdens het wandelen ziet, lezen we in strofe twee en drie. Vooral de derde is veelzeggend: Van Zomeren percipieert geen snuffelende oudere hond maar zijn geliefde Rekel, die niet zo lang meer heeft te leven en nog eenmaal met hem mee kan, de bergen in.
Dan de slotregels, die ik typisch voor de humor van Van Zomeren vind. In de laatste strofe wordt niet gezond geredeneerd, maar met taal gespeeld: als ik aanwezig ben in alles wat ik zie, moet ik ook wel aanwezig zijn in alles wat ik níet zie. Right.

Geef een reactie