
De cyclus ‘Inzicht naar wendbaarheid’ is opgenomen in de bundel Alles is een onderbreking van de lege ruimte (Uitgeverij Stanza, 2016) van Estelle Boelsma (1971). Het zesde gedicht uit deze cyclus is een poëticaal gedicht, een gedicht over het maken van gedichten.
Maar eerst iets over de cryptische titel van de cyclus, waarin ‘naar’ ‘volgens het voorbeeld van’ betekent: inzicht volgens het voorbeeld van wendbaarheid. Wat zou hiermee worden bedoeld? Dat wendingen inzichten kunnen doen veranderen? Of is het een oproep om zaken van alle kanten te bekijken? Of wordt er verwezen naar een voortdurende aanpassing van meningen? Ik kan niet kiezen.
Door naar het gedicht, waarin sprake is van een huis waarin een ik verblijft die een gedicht schrijft. Hoewel de dichter zinnen van veertien lettergrepen wil, ontstaat er op raadselachtige wijze een gedicht van zeven regels zonder interpunctie. De dichter eigent zich zichzelf toe en neemt eigen bewegingen, gedachten en herinneringen in de ik-vorm in het gedicht op, waar ze verzelfstandigen. De schepping van dit gedicht is de zonderlinge, twee uur durende gebeurtenis waarnaar wordt verwezen. Opvallend is dat de dichter zich niet als schepper beschouwt, maar als waarnemer van het scheppingsproces, waarna het waargenomene nog slechts hoeft te worden opgeschreven. Hij vat zichzelf op als medium, in wie het gedicht zich door mystieke krachten openbaart. Kort gezegd: de dichter wacht op regels die hem invallen. Of bij Boelsma ook elk gedicht zo tot stand komt, is niet duidelijk.
Boelsma’s vers boeit me omdat het poëtisch scheppingsproces me boeit. Bovendien is er zeer scherp waargenomen: de totstandkoming wordt precies uitgelegd. En de poëzie? Die zit vooral in de middelste regel, die een vleugje tederheid in het spel brengt en maar blijft rondzingen in mijn hoofd: ‘we hebben thee geroosterd op dennennaalden’. Boelsma heeft ons een rijk gedicht geschonken.


Geef een reactie