Soms blijkt een gedicht een onneembare vesting en rest lezers niets dan dat te respecteren. Hoewel je van het geboden klankspel, lexicale vernuft en beeldmateriaal kunt genieten, blijven samenhang en betekenis geheel of gedeeltelijk verborgen. We spreken dan van hermetische poëzie. Anouk Smies houdt zich graag op in het grensgebied tussen toegankelijkheid en ontoegankelijkheid. Zo staat er in haar bundel Wie heeft een middelpunt nodig (2016) het sibillijnse gedicht ‘Jeuk’:

JEUK

Ik wil peuteren
aan de neus die
zich kunst noemt

De potsierlijke bacteriebron
Een traan crasht meer profi
Ik zeg nerven als ik hout zie

Blaast men tegenwoordig
geen bladspiegels meer op?
Gedetailleerd en fluimend
plaats je gruis op een trambaan

Laatst zag ik Avatar
Lelijkheid
Schoonheid als resultaat van die lelijkheid
Een blinde bandiet
De noodzaak van toeslaan

Dit is, met zijn rijke klankspectrum en vlotte zinsbouw, wél een lekker bekkend gedicht, dat bovendien een legitieme inzet lijkt te hebben: Smies heeft zin om ‘aan de neus die zich kunst noemt’, die ‘potsierlijke bacteriebron’, te peuteren. Zoals we weten, dienen bacteriebronnen met het oog op besmettingsgevaar te worden bestreden. Binnen de kunst zijn conventies net ziektekiemen, ze veroorzaken de ziekte van gelijkvormigheid. Ik hoef geen gedichten waarvan er dertien in een dozijn gaan. Gelukkig morrelen plenty dichters uit onvrede of vernieuwingsdrang aan geldende conventies.

In de regels 5 t/m 8 codeert Smies de mores waarover ze misnoegd is, waardoor de lezer, die de code niet kent, in het halfduister moet tasten: bromt Smies hier nu over kitscherigheid, houterige verbeeldingen en gangbare lay-outs? Of wil ze met deze vergroting van de raadselachtigheid in meer algemene zin weerstand bieden aan de norm die toegankelijkheid aan poëzie voorschrijft. Hoe dan ook, in de twee volgende regels wordt overgegaan tot subversieve actie die tot ontsporing moet leiden: ‘Gedetailleerd en fluimend / plaats je gruis op een trambaan’.

En in de afsluitende strofe kan de lezer dan ook inderdaad uit de rails raken. De toespelingen die Smies hier maakt, zijn weliswaar van een aangename mysterieusheid, maar mysterieus blijven ze. Waar je hoopt op duidelijkheid over de drijfveren van dit gedicht, krijg je nog meer voer voor ingewijden voorgeschoteld, wat tot een uiterste lectuur dwingt. Er zijn meerdere lezingen mogelijk.

De lezing die ervan uitgaat dat er in de laatste strofe naar een aflevering van de tekenfilmserie Avatar: De legende van Aang wordt gekeken, waarin het kwaad wordt bestreden en het blinde meisje Toph, bijgenaamd ‘de blinde bandiet’, een rol speelt, hult ‘Jeuk’ alleen maar in dichtere mist en vind ik daarom minder interessant. Als we daarentegen de god van de lelijkheid (‘avatar’ kan ook verwijzen naar ‘vleesgeworden god’) in de slotregels tegen het lijf lopen, die weet hoe je het afzichtelijke kunt omvormen tot artistieke pracht, dan hebben we mogelijk een poëticaal statement te pakken. En dat vind ik wél een boeiende lezing. Het zou me niet verbazen als Smies schoonheid uit obscuriteiten wil slaan, op zoek is naar verborgen bekoring die zich in en achter het zichtbaar lelijke in de wereld bevindt. Waarbij ze als een tastende blinde bandiet te werk gaat, die genadeloos toeslaat als schoonheid eenmaal gevonden is. Er zit veel poëzie in dit gedicht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.