Wat ik vandaag via allefriezen.nl nog meer over de familie Leupen te weten kwam:

Vermoedelijke geboortejaren van mijn overgrootouders:
1863: Geert Leupen;
1867: Geertruida Rutgers.

Met betrekking tot hun kinderen:
1910: geboorte zoon Harm Geert, mijn grootvader;
1911: geboorte zoon Evert Geert;
1914: huwelijk dochter Lammegien, dan 22 jaar oud;
1918: overlijden zoon Roelof, dan 16 jaar oud;
1919: huwelijk dochter Annechien, dan 23 jaar oud;
1929: huwelijk zoon Willem, dan 32 jaar oud.

Woonplaatsen van Geert en Geertruida:
1910: Oosterwolde;
1911: Oosterwolde;
1914: Oosterwolde;
1918: Kampen;
1919: Kampen;
1920: Fochteloo (nabij Oosterwolde);
1921: Oosterwolde;
1922: Weperpolder (nabij Oosterwolde)
1929: Epe.

Beroepen van Geert:
1910: landbouwer;
1911: landbouwer;
1914: landbouwer;
1918: koopman;
1919: slager;
1929: koopman.

Met betrekking tot de dood van mijn overgrootouders:
1942: overlijden van Geertruida te Assen. Ze was op dat moment weduwe van Geert en woonde weer in Oosterwolde.

En dan is er nog een kwestie met betrekking tot een boerenplaats te Oosterwolde, waar Geert een bod op uitbrengt en die hem begin 1918 ‘provisioneel’ wordt toegewezen. In het Lycaeus Juridisch Woordenboek vind ik onder het kopje ‘provisionele en finale toewijzing’ de volgende uitleg:

‘Soort akte of proces-verbaal uit de 19de en begin 20ste eeuw, waarin de notaris het geveilde onroerend goed zonder voorbehoud aan de hoogste bieder toewijst. De hoogste bieder weet dan zeker dat hij het huis kan kopen. De akte ‘provisionele toewijzing’ wijst erop dat toewijzing plaatsvindt onder voorbehoud van toestemming van de verkoper, omdat de hoogst geboden prijs kennelijk lager is dan de minimumprijs die de verkoper wilde hebben.’

Eind 1921 koopt Geert vastgoed in Oosterwolde voor het bedrag van fl. 8845. Mogelijk betreft het de boerenplaats waar hierboven sprake van is. Begin 1922 spreekt een notaris echter een royement uit, wat vermoedelijk betekent dat Geert met betrekking tot de koop een ‘waardeloze’ hypothecaire inschrijving had overlegd.

Het heeft er alle schijn van dat mijn overgrootvader met betrekking tot de koop had gebluft, onvoldoende kapitaalkrachtig was geweest.

Saillant in dit verband zijn twee gerechtelijke vonnissen die in deze periode worden uitgesproken: (1) in mei 1920 worden Geert en zonen Jan en Willem schuldig geacht aan huisvredebreuk, en (2) in augustus 1921 gaat zoon Jan wegens brandstichting negen maanden het gevang in.

Wellicht hebben deze delicten iets met de aankoop van de boerenhoeve te maken; je weet het niet.

Auteur: tonvanthof

Dichter & blogger o.a.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.