Ik heb de afgelopen dagen Zelfs een Tibetaan belandt uiteindelijk in zee van Edwin de Groot gelezen (In de Knipscheer, 2018). Het is de vertaling uit het Fries van zijn vierde dichtbundel Sels in Tibetaan belânet op it lêst yn see, die in december 2016 bij Afûk verscheen. Omdat er in het colofon geen gewag van een vertaler wordt gemaakt, vermoed ik dat De Groot zijn bundel zelf omzette.

Hoewel op de achterflap staat dat het hier om ‘het Nederlandstalige poëziedebuut’ van De Groot gaat, werd ook zijn derde bundel naar het Nederlands overgebracht en in een tweetalig werkje uitgegeven: In hazze is in lokkich bern | Een haas is een gelukkig kind (De Contrabas, 2013). Mijn korte recensie ervan eindigde destijds als volgt: ‘De Groots Nederlandstalige debuut is buiten Friesland vrijwel onopgemerkt gebleven. Wat maar één ding betekenen kan: zijn bundel is niet door recensenten gelezen, want anders zouden er loftrompetten zijn gestoken en hadden meer mensen van deze prachtige aardse poëzie kennis kunnen nemen. Edwin de Groot bezit de gave.’

Ook in Zelfs een Tibetaan belandt uiteindelijk in zee staan weer enkele ijzig mooie verzen en ook nu weer vormen natuur en vergankelijkheid de voornaamste thema’s. De Groot schrijft deugdelijke poëzie, drukt zich er in uit, is niet op zoek naar vernieuwing. In de afdeling ‘Schatplicht’ draagt hij gedichten op aan Dante Alighieri, Wislawa Szymborska, Czeslaw Milosz, Malcom Lowry, William Carlos Williams, Jules Deelder en Emily Dickinson. Verwacht dus geen buitensporig talig gedrag maar een natuurmens die zichzelf en de wereld om hem heen in beproefde lyriek, en zo nu en dan op begaafde wijze, gestalte geeft.

Maar eigenlijk verwoordt De Groot dit zelf veel beter in het gedicht ‘Schaal van universum’, waarin hij zijn dichterschap de maat neemt.

SCHAAL VAN UNIVERSUM

Doorgaans bevat ik zaken
het best als ik ze vast kan pakken
of als er veel geluid uitkomt
maar dit gemoed was ijl, onstoffelijk
geruisloos als ineengedoken reeën
verbloemd tussen snijmaïs

het heeft zich een huis gemaakt
in mij, zacht als losvlokkig pluis
onder bank en boekenkast ben ik
aan korstjes gaan pulken, aan velletjes
hoe groot wij zijn of ondermaats
de zin van alles, hoe kort of lang de sluitertijd

allerhande kruinen van verlossing
ben ik doorheen gefladderd
als een onhandig vogeljong
een klunzige takkeling die zocht

naar iets groots, iets majestueus
en iedere keer vond ik mezelf
niet meer dan een vluchtige figurant
het heeft me dus niets opgeleverd

of alles

Auteur: tonvanthof

Dichter & blogger o.a.

One thought on “”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s