Begin jaren 70 was de kerkuil zo goed als uitgestorven in Nederland. Met behulp van een landelijk plan en kerkuilwerkgroepen kwam deze muizenjager er weer bovenop. Alleen al in Friesland, lees ik in de LC, broeden vandaag de dag drie- tot vijfhonderd paartjes. Het venijn zit echter in de staart van het artikel. Nieuwe gevaren dreigen. Zo sterven kerkuilen vooral onder auto’s en neemt de noodzakelijke medewerking van boeren de laatste jaren af. ‘Zeker, het gaat de kerkuil goed, maar zonder bemoeienis van de mens gaat het niet.’
     De overleving van deze diersoort is een menselijke aangelegenheid geworden. De mens wikt niet alleen maar beschikt vandaag de dag ook. Overbevolking en hebzucht hebben ons in een Goddelijke positie gemanoeuvreerd en een grote verantwoordelijkheid op ons geladen. Helaas gaan we meestal onze kleingeestelijke goddelijke gang en trekken ons helemaal niets van onze leefomgeving aan. Waar halen we in godsnaam deze arrogantie vandaan? Zielsbedroefd word ik ervan.
      De overlevingskansen van onze weidevogels hebben intussen hun minimum bereikt. Het politieke geklungel inzake het ‘herstelprogramma’ is schrijnend. Ik krijg zo langzamerhand het idee dat alleen een volksoproer de bestuurders weer in het gareel brengen kan. Het lot van de grutto zou weleens van de publieke opinie kunnen afhangen; ten strijde!

‘Door veranderingen in de landbouw zijn veel broedvogels van het agrarische gebied in Nederland achteruitgegaan. Deze ontwikkeling doet zich in de hele EU voor.’