Evolutionair gezien is de dood zinvol, lees ik in Wilhelm Schmids Gelatenheid: Wat we winnen wanneer we ouder worden, en neem deze gedachte mee uit wandelen naar Lekkum en Snakkerburen.

‘De dood breekt het leven van ieder individu weer af en maakt daarbij ruimte voor nieuw leven, voor nieuwe genencombinaties, zodat het met frisse krachten kan proberen nieuwe mogelijkheden te realiseren, oude problemen op een nieuwe manier aan te pakken of die opnieuw te laten mislukken.’

Terwijl de regen op mijn paraplu tikt denk ik: daar zit wat in. Aan de andere kant: moet ik daarom het loodje leggen? Maar aan een wereld waarin iedereen nog leeft die ooit geboren is, moet je toch ook niet denken. Het is natuurlijk wel wat de evolutie doet: opbouwen en afbreken, in een eeuwigdurend ritme.

En daar maak ik dus deel van uit. Ik ben lang geleden in elkaar gezet en zal over enige tijd ook weer uiteenvallen. En met de energie die vrijkomt bij al dat uiteenvallen – wet van behoud van energie – kunnen weer nieuwe levensvormen worden gecreëerd. Mijn energie verdwijnt dus niet. Ergens, tot op zekere hoogte, blijf ik bestaan.

Dan begint het harder te waaien en te regenen en wordt de paraplu bijna uit mijn handen gerukt. Opletten en doorstappen. Bovendien moet ik nodig pinkelen, maar zie daar op deze groene vlakte niet een-twee-drie een geschikt plekje voor.

Kealledykje, Lekkum, 2017 © Ton van ‘t Hof