Gisteren om 11.47 u. met trein en bus naar Buren (GD) afgereisd om in het Marechausseemuseum aldaar een reünie bij te wonen van de maten met wie ik in 1978 aan een militaire opleiding begon. Bijna veertig jaar geleden; oude koppen dus, maar barstensvol ervaringen, en lichamen met ouderdomskwaaltjes. En elk gesprek begin je weer waar je het de vorige keer hebt afgebroken. We zien elkaar om de vijf, zes jaar.

In de trein een klein (slechts 122 pagina’s tellend) maar fascinerend boek van Koos van Zomeren gelezen, Het leven heeft geen geheimen, uit 2004. Een roman over het schrijven van een roman. Een van de twee hoofdfiguren – de andere is de schrijver, Koos van Zomeren, zelf – is zijn stem verloren, kan niet meer praten. Op tweederde van het boek zegt Van Zomeren:

‘Wat ik heb onderschat: door iemand als romanfiguur van zijn stem te beroven, beroof je jezelf als schrijver van de dialoog. Dialogen zijn een probaat middel om in een verhaal meer dan één persoon tot leven te brengen, dialogen zijn ideaal om spanningen op te roepen, aan te scherpen of weg te moffelen. Zonder dialogen voer je het gevecht met één hand op je rug.’

Omdat er naast deze ongelijke strijd ook nog een plot moet worden uitgewerkt, grijpt Van Zomeren in en gaat met zichzelf in gesprek over zijn hoofdfiguur en mogelijke verhaalverwikkelingen. Een echt schrijversboek. Door een echte stilist. Ik heb ervan genoten.

Werd vanochtend wakker met een liedje van Cliff Richard in mijn hoofd: It’s so funny how we don’t talk anymore. Over je stem verliezen gesproken.

(Lastig indelen zo’n aantekening als dit; ik besluit om haar in plaats van één in drie categorieën onder te brengen.)