Als ik om een uur of tien naar het Stienser Bos vertrek lijkt het redelijk kalm weer te zijn, maar eenmaal buiten Leeuwarden blijkt het flink te waaien. Als ik voorbij Tichelwurk de Wurgedyk opdraai begint het ook nog te motregenen. Doorfietsen dus.

In het dertig jaar oude Stienser Bos, ten noordoosten van Stiens, staan veel essen. Een deel ervan is aangetast door de essentaksterfte, een agressieve ziekte die zich momenteel over Europa verspreidt. Het vals essenvlieskelkje, een gemene paddenstoel, is de boosdoener. De afgelopen weken zijn hier drie- tot vierduizend bomen gekapt, ongeveer een derde van het hele bos. Ik wil het rampgebied met eigen ogen aanschouwen.

Als ik mijn fiets op slot zet krijg ik het gevoel een kerkhof te betreden. In de verte ligt een stapel essen aan de weg. Ik loop naar het getroffen bosperceel en verstijf als ik de kaalslag ontwaar; voor me strekt de dood zich uit, in de vorm van duizenden omgehakte bomen. Alsof er een leger verpletterend verslagen is.

Dan klinkt plotseling getsjilp uit wat struikgewas, ik moet ervan glimlachen; het leven gaat natuurlijk wél gewoon door. Zo zullen de hectares straks worden herbebost en zal de herinnering aan deze ellendige pandemie langzaam vervagen. Op de terugweg, in de buurt van Britsum, zie ik wel vijftig zwanen op een biljartlaken van raaigras. Ze grazen. Moeten wellicht nog ergens heen.

Stienser Bos, Stiens, 2017 © Ton van ‘t Hof