Een mens lijdt dikwijls ’t meest / Door ’t lijden dat hij vreest. Als ik naar mijn ouwe heer kijk, dan zie ik iemand op wie deze dichtregels van toepassing zijn. Zeer. Wat hem momenteel, in zijn nadagen, nogal hindert en somber maakt.

Ik lijk ook in dit opzicht op mijn vader, maar zou zelf graag het juk afschudden van dit soort destabiliserende gedachten. Mijn interesse in onderwerpen als klassieke levenskunst en boeddhisme kan mede vanuit deze invalshoek worden verklaard.

In De monnik en de filosoof (Asoka, tweede druk 1999), dat ik op dit moment lees, gaan een Franse zoon, die na zijn doctoraatsstudie in de moleculaire biologie besloot om boeddhistisch monnik te worden, en zijn Franse vader, die filosoof is, met elkaar in gesprek. De vader toont respect voor de keuze van zijn zoon maar plaats tegelijkertijd kritische noten bij het boeddhistische gedachtegoed. De zoon kan deze kritiek, tot nu toe en in mijn ogen, lang niet altijd op bevredigende wijze weerleggen.

Wat ik boeiend vind is dat het boeddhisme onder bepaalde omstandigheden verlichting belooft ten aanzien van de door bovenstaande dichtregels aangehaalde problematiek. Je dient je dan aan de illusie te ontworstelen van jezelf als een persoon die denkt, en ik citeer, ‘mijn lichaam, mijn naam, mijn geest’ enzovoort; dat zelf dat je blik op de wereld vervormt.

‘Het boeddhisme ontkent het bestaan van een onveranderlijk, permanent en onafhankelijk zelf.’

Ja, niemand heeft gezegd dat het gemakkelijk zou worden. Overigens werd de zoon tot het boeddhisme overgehaald door de innerlijke rust die een Tibetaanse meester uitstraalde: díe wilde hij zich ook eigen maken. Wat ik opmerkelijk vind, omdat innerlijke rust niet alleen of per se met boeddhisten verbonden is.