Over de zorg voor zichzelf (1)

Om nog beter inzicht in Foucaults interpretatie van de klassieke ‘zorg voor zichzelf’ te krijgen, lees ik momenteel Breekbare vrijheid: De politieke ethiek van de zorg voor zichzelf (Boom/Parrèsia, ed. 1998), waarin enkele belangrijke teksten van zijn hand over dit onderwerp zijn opgenomen.

Foucaults De moed tot waarheid: Het bestuur van zichzelf en de anderen II (Boom, 2009) wekte mijn belangstelling voor dit onderwerp en Wilhelm Schmids Handboek voor de levenskunst (Ambo, 2005) vergrootte die.

Voor de Grieken was de zorg voor zichzelf – meester worden over eigen gedrag, emoties en gedachten – van fundamenteel belang voor het functioneren van de gemeenschap en vormde de primaire grondslag voor de levenskunst. Een kunst die lang aan de vergetelheid is prijsgegeven, maar vandaag de dag weer in de mode raakt.

Wat levenskunst zo interessant maakt voor een seculiere samenleving zijn de mogelijkheden die zij het individu biedt om ‘een eigen levensstijl en een eigen moraal te ontwerpen.’

Maar nog even terug naar de geschiedenis. Met de opkomst van het christendom vond langzaam een aandachtsverschuiving plaats: van de klassieke zorg voor zichzelf naar een christelijke ‘liefdevolle gerichtheid’ op de ander, die uiteindelijk zelfs afstevende op een verloochening van het zelf. Een opvatting die nog altijd doorwerkt op wat wij thans moreel ‘goed’ vinden. Foucault zegt hierover:

‘Voor ons is het moeilijk om een strikte moraal en strenge beginselen te baseren op het voorschrift beter voor onszelf te zorgen dan voor wat ook ter wereld. We zijn eerder geneigd om de zorg voor zichzelf als immoreel te beschouwen, als middel om zich te onttrekken aan allerhande regels. We zijn de erfgenamen van een christelijke moraal die zelfverloochening als voorwaarde voor verlossing stelt.’

Toen ik dit las moest ik terugdenken aan mijn militaire opleiding. Vrijwel elke militaire inspanning is een groepsgebeuren en overstijgt individuele belangen. Toch wordt iedere militair afgericht om in menig opzicht eerst zorg voor zichzelf te dragen en dan pas voor anderen. Een zelfpraktijk die ook, of misschien wel vooral, ten dienste staat van de groep. Het draait dan met name om zorg voor eigen gezondheid en eigen veiligheid; aan een zieke, gewonde of dode soldaat heeft niemand iets. Dit kan betekenen dat je soms, in extreme omstandigheden, uit eigen- én groepsbelang, makkers aan hun lot moet overlaten.

Vanuit deze vaardigheid versta ik de samenhang beter, die de oude Grieken zagen tussen de zorg voor zichzelf en het functioneren van de gemeenschap.

En er schoot me nog iets te binnen. Na het vallen van de Muur in 1989 veranderde de taakstelling van de krijgsmacht drastisch. De verdediging van het eigen en NAVO grondgebied werd ondergeschikt aan de bevordering van Westerse belangen waar ook ter wereld. We gingen expeditionair. Plotsklaps werd er een groter beroep dan voorheen gedaan op de opofferingsgezindheid, het zelfverloochenende vermogen, van de militair. Het achterstellen van je eigen belangen of gevoelens ten gunste van familie of landgenoten gaat velen toch gemakkelijker af dan het wagen van je leven voor volstrekte vreemden of een bestuurlijke abstractie. Met name tijdens mijn uitzending naar Afghanistan heb ik geworsteld met de politieke en economische overwegingen die, in morele bewoordingen verpakt, tot Westers ingrijpen leidden. Een neerslag hiervan is terug te vinden in mijn bundel Aan een ster / she argued.

Ik vraag me nu af in hoeverre mijn besef van eer en plicht toentertijd, dat me in Kandahar terzijde stond, op een christelijke moraal stoelde. En of dat besef intussen veranderd is.