Als het kouder wordt en de dagen korter dan trek ik me terug, blijf in of dichter bij huis. Mijn wandelingen beperken zich dan doorgaans tot ommetjes door de stad, waar het beter schuilen is tegen wind en regen. Vanochtend miezerde het, maar mijn lichaam meldde ongeduldig dat het naar buiten wilde, en wel zo snel mogelijk. Soms voel je aan dat tegenstribbelen geen zin heeft en dit was zo’n moment, in de benen dus.

Via de wijken Huizum en Nijlân naar het Van Harinxmakanaal gewandeld, waar Leeuwarden, gestuit door het water, ophoudt te bestaan. Aan de overkant liggen weilanden, waarin ik nog wat schapen zag staan. Onderweg was ik maar weinig andere mensen tegengekomen en ook hier, aan het klotsende water, op één hondenuitlater na niemand te zien. Meestal vind ik dat heel prettig, zo ook vandaag; ik begon te zingen.

Friesland telt 650.000 inwoners, waarvan een half miljoen in dorpen en steden bij elkaar hokt, waarvan 110.000 in Leeuwarden. Maar waar waren ze dan? Als ik na een uur lopen er tien van had gezien dan was dat veel. Natuurlijk, het miezerde, maar toch; wat een heerlijke stad!

Bij het bedrijventerrein De Zwette rechtsaf en langs de Harlingervaart het centrum in gelopen. Volgend jaar, als Leeuwarden culturele hoofdstad van Europa is, moet het hier krioelen van de toeristen. Bah. Je hoort mij dan ook niet zeggen dat het hier mooi is. Integendeel, Friesland en haar hoofdstad zijn héél erg lelijk. Een mens heeft hier eigenlijk niets te zoeken.

Nijlânsdyk, Leeuwarden, 2017 © Ton van ‘t Hof