Halverwege Wormen en engelen drongen de vragen zich op: Wat lees ik eigenlijk en waarom? Nu ik het boek uit heb, zoek ik nog steeds naar bevredigende antwoorden. Ik heb onderweg wat invallen genoteerd:

Iets tussen religieuze kritiek en fictie in. / Deconstructie van een geschiedenis. / Zelf-fictionalisering.

Het boek noemt zichzelf een roman: ‘prozaverhaal waarin lotgevallen en karakter van een of meer personen beschreven worden’.

Laat er geen misverstand over bestaan: in zijn debuut toont Maarten van der Graaff zich zowel een stilist als een genreverruimer.

Het oeuvre van de Amerikaanse schrijver Chris Kraus, dat ook in Wormen en Engelen ter sprake komt, is van invloed geweest op Van der Graaffs verruimingsdrang. Zo zetten beiden, bijvoorbeeld, theoretische teksten en ideeën in om hun verhalen vorm te laten aannemen. In Van der Graaffs geval gaat het dan vooral, in dit boek, om religieuze denkbeelden en hypothesen.

Overigens voelde ik me ondanks de stichtelijke overvloed niet geroepen om inhoudelijk over religie na te denken, wel werd ik aangezet tot het ophalen van herinneringen aan mijn eigen kleine religieuze verleden.

Ik heb de verwikkelingen in Wormen en engelen hoofdzakelijk tégen het decor van de religieuze teksten gelezen.

En uit dit alles rijst bij mij het beeld op van een jongeman, Bram Korteweg, die voor zijn vertrek van Goeree-Overflakkee al twijfelde aan het christelijke geloof en zich, eenmaal in Utrecht, openstelt voor het grootstedelijke leven, begerig als hij is om zich ‘te schurken aan de zintuiglijke dingen.’

Omgekeerd dus aan de weg die Augustinus aflegde.

En ook Korteweg snijdt banden door, ‘een bevrijdend verraad aan het verleden’.

Ik kijk uit naar Van der Graaffs volgende boek.