Voor dichters is de inzet van poëzie, het belang dat op het spel staat, groot. Daarom bomen ze onderling ook zoveel en botsen hun opvattingen rond poëzie meer dan eens. De Vlaamse dichter Koenraad Goudeseune brengt poëticale denkbeelden niet alleen in gesprekken naar voren, maar legt ze ook onomwonden in gedichten vast. Zo blikt hij in onderstaand vers, dat in de bundel Vet hart (Bokeh, 2016) is opgenomen, terug op zo’n ‘frisse’ discussie over de vraag wat poëzie is of waar zij over moet gaan. Waar de ik-figuur zijn eigen emoties en gemoedsstemmingen in gedichten wil verwoorden, staat zijn tegenstrever kennelijk – zijn opvattingen worden niet expliciet weergegeven – een anti-lyrische houding voor. Je zou daarbij kunnen denken aan een opstelling die rust op het idee dat een gedicht in de eerste plaats een talig en autonoom ding is. Maar het blijft gissen.

Uit: Vet hart, Koenraad Goudeseune, Bokeh, 2016