In het voorjaar van 1984 verraste mijn toenmalige vriendin me met een langharige bastaard uit het asiel, Stanley, ruim tien jaar oud en onder de klitten. Ik was weliswaar met honden opgegroeid, maar wist me zo een-twee-drie geen raad met het dier. Hij wel met mij. Vanaf het allereerste moment dat Stanley me zag, was ik zijn bevrijder en gaf hij me zijn onvoorwaardelijke trouw. Ruim een jaar lang zou hij niet meer van mijn zijde wijken totdat het lot anders besliste. 

Afgelopen woensdag, op zoek naar wat boeken voor Hennie, zag ik Koos van Zomerens nieuwste boek in de bibliotheek liggen en griste het mee: Alptraum: Stanley’s laatste gems (De Arbeiderpers, 2016).

Wie dit blog regelmatig leest, weet dat ik een fan van Van Zomerens werk ben. Ik deel zijn liefde voor de natuur en wandel er evenals hij graag doorheen. Van Zomeren mét hond, ik zonder. In Alptraum, wat in het Duits ‘nachtmerrie’ betekent, vertelt Van Zomeren hoe hij zijn geliefde borderterrier Stanley in 2015 op ongelukkige wijze in de Alpen verloor.

Dit boek bracht ook míjn Stanley weer in herinnering. Fijne herinneringen en droevige. Ik hield het niet altijd droog.

Vanmiddag heb ik de drie foto’s die ik van Stanley heb weer eens opgezocht. Op de eerste foto zien we hem zoals hij uit het asiel kwam: langharig, smerig en vol klitten. Op de andere foto’s is het een uurtje later en kijken we naar een nog wat bedeesde, maar schone en geknipte hond. Hij vond het heerlijk om de ballast en warmte van zijn dikke vacht kwijt te zijn.

Stanley, 1984
Stanley, 1984
Vanaf dat moment waren we onafscheidelijk. Hij ging, behalve naar mijn werk, overal mee naartoe. Samen wandelen, vrienden bezoeken, boodschappen doen. Voor de deur van de supermarkt bleef hij netjes op me wachten. ’s Avonds lag hij op het voeteneind van mijn bed. Als ik moest werken kon hij, tot begrijpelijke ergernis van de buren, urenlang blijven huilen. Tot tweemaal toe stuurde de benedenbuurman de politie op mijn dak.

Soms moest ik voor mijn werk meerdere dagen verder weg. In het begin bleef Stanley dan bij mijn vriendin, maar toen zij en ik uit elkaar waren gegaan, bracht ik hem naar mijn ouders. Zo ook die fatale meidag in 1985. Stanley was allang een deel van me. Op Sardinië had ik een taak te verrichten. Mijn moeder, van wie ik alles over honden had geleerd, nam Stanley liefdevol van me over. Op weg naar het vliegveld bleef de treurnis in zijn ogen bij ons afscheid nog lang bij me hangen.

Toen ik enkele weken later terugkwam, vertelde mijn moeder pas wat er was gebeurd. Op de dag dat ik Stanley had gebracht, had hij uit de tuin weten te ontsnappen. ‘Op zoek naar jou,’ zei mijn moeder. Al weet je dat nooit zeker. Mijn ouders hadden alles in het werk gesteld om hem terug te vinden. Tevergeefs. Hij was verdwenen en bleef tot mijn grote verdriet voorgoed weg. 

Elke aanzet tot een nieuwe hond heb ik altijd met een ‘tot na mijn prepensioen’ afgewimpeld. En dat moment komt nu rap naderbij. Ik ben benieuwd, zeer benieuwd wat ik ga doen.

Stanley, 1984

Gepubliceerd door

tonvanthof

Dichter & blogger o.a.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s