Zwerven in niemandsland

Michael Tedja (1971) is niet alleen beeldend kunstenaar, maar schrijft ook proza en poëzie. Zijn laatste dichtbundel, Regen, verscheen onlangs bij uitgeverij IJzer. Daar komt enkele malen ‘een kleurenblinde neger’ in voor, die:

[…] spot met de beeldvorming over zwarte mannen (geile bokken) zwarte dichters (gevoelsmensen) en zwarte schrijvers (naïevelingen) een geile bok kan geen coherent boek schrijven – een gevoelsmens is alleen met zichzelf bezig en schrijft niet over de wereld – een naïeveling is nooit op zoek naar de waarheid en durft geen vragen te stellen ha spot ermee lach erom speel met de rol als neger

Tedja is een zwarte man, zwarte dichter, zwarte schrijver én, zo blijkt uit deze bundel, een kleurenblinde neger. Hij verdedigt geen zwarte cultuur, maar probeert haar te begrijpen. Al op jongere leeftijd stelt hij indringende vragen, aan zijn moeder bijvoorbeeld:

Ik vroeg haar waarom ze het katholieke aanhing.
Ze zei dat het heelal en de oerknal te ver lopen waren.
Ze was verpleegster met de goede kanten van de mens.
Daar had ze nota bene een opleiding voor.
Ze droeg zonder te blozen een wit pakje.

Over de redenen waarom zijn ouders van Suriname naar Nederland kwamen, laat Tedja, die zelf in Rotterdam werd geboren, niets los. Wel wordt duidelijk dat het ‘onverwerkte verleden’ van zijn vader hem in zijn jeugd mede heeft gevormd: ‘Ik zou nooit toegeven aan de druk / om mijn mond te houden, me te conformeren.’ Ook de twee schurende culturen laten in die jaren hun sporen na: ‘Ik werd in de jungle geboren / en groeide in Nederland op. […] Ik werd gewoon geboren / en groeide ongewoon op hier.’ Toch raakt Tedja niet gefrustreerd, noch gaat hij op zoek naar een synthese van de verschillende verworvenheden. Hij probeert een andere uitweg: ‘zwerven in het niemandsland tussen hun vooroordelen en hun gemeenplaatsen’ [hun = Surinamers en blanke Nederlanders]. Dat blijkt niet eenvoudig, lijkt vooral te bestaan uit dingen laten:

Ik kende geen vriendschap. Ik kende geen verraad.
Ik was geen herinnering. Ik had geen ideeën.
Ik was geen gruwel. Volgens mij stond ik rechtop.

Wat niet het geval is. Hij dondert in een zwart gat. Wordt niemand in niemandsland: ‘Het was geen portret. / Er waren geen mensen. / Het was niet mijn gezicht.’ Langzaam komt dan het besef dat het anders moet. Dat hij ruimte nodig heeft, en geen inperking, waarin hij zichzelf kan verwezenlijken. Gelukkig reikt de poëzie hem een helpende hand:

Het grote niets staarde mij aan.
Het grote niets stond mij niet aan.
Ik viel het aan. Ik zocht grond.
Gedichten liepen binnen.

Herstel begint met de benoeming van het probleem. In deze imponerende bundel schrijft Tedja zichzelf in een bezwerend ritme letterlijk op. Wordt iemand. Maakt de worsteling tot onderdeel van zijn persoonlijkheid. De gedichten blijven bij hem binnenstromen ‘totdat de natuur’ het weer overneemt. Tot besluit een sleutelgedicht uit Regen:

NIEMAND

Ik had niet gekeken
waartoe het geleid had.
Ik was niet gestopt.

Ik had niemand laten zweten.
Er was geen geronnen bloed.
Ik had geen goed gedaan.

Omdat ik het niet goed
had gedaan was er geen bloed.
Was er geen doel, was er geen
beoordeling achteraf.

Ik had de nacht niet omarmd.
Ik was niet oké. Ik vuurde
geen vragen af.

Ik hoorde niemand uit.
Ik was niet van de straat.
Nergens om naartoe te vluchten.

Er was geen haring.
Er was geen achterban.
Ik had niets uitgelegd.

Regen, Michael Tedja, Uitgeverij IJzer, 2015

Gepubliceerd door

tonvanthof

Dichter & blogger o.a.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s